Camera Hacker

Library

Door Holland met pen en camera

Project Gutenberg's Door Holland met pen en camera, by Lud. Georges Hamn

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net


Title: Door Holland met pen en camera

Author: Lud. Georges Hamn

Release Date: August 29, 2004 [EBook #13317]

Language: Dutch

Character set encoding: ISO-8859-1

*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DOOR HOLLAND MET PEN EN CAMERA ***




Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team





Door Holland met pen en camera

Naar het Fransch van

_Lud. Georges Hamn_. [1]


Elk land heeft een eigen karakter, dat is onbetwistbaar. Holland nu
is, zoowel om den aard van zijn grondgebied als om de kleeding zijner
boeren, tegenwoordig het schilderachtigste land van Europa.

Het is de moeite waard, zich op te maken om met eigen oogen te
aanschouwen die pijpjesrookers en kermisdansers, die langzame
schuiten en reusachtige bruggen, die zwaaiende molenarmen en kalme
overpeinzingen van rustige burgers over hun glas bier, die boerin
met breede heupen, de producten der eigen boerderij naar de stad
brengend, die spannen van trekhonden, die eeuwige kanalen, bevolkt
met eenden, die nette dorpen en aardige huisjes, die zonderlinge
visschers, grillige luchten, moerassige vlakten. Men kan dan op zijn
gemak, zonder de oogen dicht te doen, vr zich zien verschijnen
de landschappen door Ruysdael's penseel op het doek gebracht, en de
tronies der bierdrinkers die Teniers teekende.

Naar Holland gaan beteekent trouwens zooveel niet.... Men stapt
's morgens aan 't Noorderstation in een exprestrein, en 's avonds
zit men kalmpjes in een "koffiehuis" te midden van de diepe rust der
weiden en de tonen van een klokkenspel.

Als men in n adem Belgi is doorgespoord, wat niet moeilijk is
met het oog op de kleinheid van het land, komt men te Roozendaal,
het grensstation, waar het gebruikelijk is, zijn krachten eenigszins
te herstellen. Daarna stapt men in een langzamen trein, die er
saai uitziet en op weg is naar Zeeland, het land der eilanden met
zonderlinge namen, doorsneden door vaarten, kanalen, rivieren,
slooten en booten, en bevolkt door vrouwen met bloote armen.

Maar men houde wel voor oogen, dat Holland een wanhopig vlakke en
eentonige streek is, dat het geen heftige aandoeningen wekt, noch
tot opgewonden geestdrift stemt of stille innerlijke verrukking
teweegbrengt. Holland is het land der rust, waar men zich dompelt in
het kalmste welbehagen.


I

Een hollandsche stad.--Middelburg.--De wolken.--De
"boerinnen".--Het huis.--De brugwachter.--De markt.--Een hollandsch
dorp.--Zoutelande.--Goede herbergiers.--Typische avond.--De klompjes
der kleine kinderen.--De kermis.--De vroomheid van den Hollander.


Na veel eentonige moerassen te zijn voorbijgegaan en vochtige
landerijen; na bruggen te zijn overgereden, stopt de langzame trein
te Goes en daarna te Middelburg, de hoofdstad van het eiland Walcheren.

Het was grijs, donker wer op den morgen van mijn aankomst. In Holland
vinden de wolken geen klokkentorens om ze tegen te houden, noch boomen
of heuvels, en dus komen ze van alle kanten aandrijven, wit en rose
en zwart, bruin, oranje of rood, al naar den tijd van den dag, en
door den wind voortgestuwd. Zij lossen zich op in zware regenbuien of
vluchten in compacte massa's heen, trachtend zich hier of daar vast
te zetten; maar de molens, die steeds maar blijven zwenken en draaien,
schijnen ze uit te lachen, net als de baders, die in het water duiken,
als men ze roept.

O, hollandsche wolken, wat hebt ge mij een last bezorgd!... Moet ik
er boos om blijven?... Ik weet het niet, want gij ziet er toch niet
kwaad uit, en Holland zonder wolken zou een afschuwelijke woestijn
zijn; daarom hebben de wolken en het water samen vriendschap gesloten
ten bate van het landschap.

Het was dan grijs en leelijk wer, toen ik in Middelburg uitstapte.

Middelburg, hoort ge wel? is een echt type van een hollandsche stad,
half en half grootsteedsch en half en half boersch. Naast Goes en
Wemeldinge is het de interessantste plaats, waar ik geweest ben.

Het was morgen. Overal ontmoette ik groenteboeren en groenteboerinnen,
sommigen in lage wagentjes, getrokken door kleine, harige paardjes,
anderen, bezig karren voort te duwen, hoog opgestapeld vol met groente,
boter, eieren of melk.

_Trip, trap, trip, trap...._ Dat stapte maar voort zonder
haast. Niemand heeft ooit haast in Holland. Het paard, in een zacht
drafje gebracht, stond dadelijk stil, als 't noodig was.

Boerinnen, jonge meisjes nog, goed gekleed in haar nauwsluitende
jakjes, met dikke heupen door de zware rokken, liepen waggelend
met een juk op de schouders en boden aan de klanten melk en boter
aan in blauwe of groene emmers met deksels, alles van de uiterste
zindelijkheid getuigend.

Het type is niet bijzonder mooi, ik bedoel, niet erg fijn; maar
schoonheid is een zaak, die moeilijk uit te maken is, en tot veel
verschil van meening aanleiding geeft. Ziet men niet dagelijks de
menschen bewonderend stilstaan voor de schilderijen van Rubens,
alles vleesch, want men weet, dat hij bijna niet anders dan dikke
Vlamingen op zijn doeken bracht.

Deze jonge dames kennen in 't geheel geen beschroomdheid. Meer dan
eene, die op mij afkwam met de handen in de zij en met de schouders
schokkend in een droge beweging van onverschilligheid, stond stil,
als ik haar aankeek, ging met een coquet airtje vr mij staan en gaf
mij door teekens te verstaan, dat een geldstukje haar niet onwelkom
zou wezen. Als ik beproefde haar onverwacht te kieken, stiet zij een
kreet, van toorn uit en keerde mij met ostentatie den rug toe. Op
andere plaatsen, bij voorbeeld op Marken, wordt die belasting van
den vreemdeling bijna als een recht geheven; een belachelijk misbruik.

Middelburg!... Zeer net stadje, met straten die alle aan elkar gelijk
zijn. Rondom kanalen en, boven de daken uitstekend, twee of drie
groote molens. Enkele oude monumenten, geheel in stijl. Zangerige
klokken spelen de uren en laten hun tonen plotseling druppelen in
de doffe stilte der bijna verlaten wegen en straten, waar men weinig
winkels ziet.

Er wordt in Holland niet veel gewandeld, en aan flaneeren wordt in
het geheel niet gedaan. Men leeft te huis opgesloten in zijn dicht
en keurig, goed onderhouden vroolijk woonhuis. Geen huurhuizen van
vijf, zes of tien verdiepingen. Elk gezin heeft zijn thuis, zijn
eigen woning, waar alleen bekenden binnentreden, van wie men zeker is.

Maar wat houdt men dan ook veel van dat "home", hoe graag versiert
men het en tooit het op, wascht het, verft het en boent erop naar
hartelust! Zulk een pijnlijke bezorgdheid doet het oog goed, want
men gevoelt, dat zij n is met de plaatselijke zeden en gebruiken.

De straten, geplaveid met baksteenen, vertoonen geen enkele
onreinheid. De vensters, van zonneblinden voorzien, zijn niet
gestoffeerd met nieuwsgierige gezichten, die op den voorbijganger
neerzien met ingenomenheid of afkeuring. Men ziet geen vrouwtjes bij
de deuren staan praten of gewichtige samensprekingen houden op drukke
kruispunten van wegen. Zelfs de kinderen zijn maar juist even druk
genoeg, om te bewijzen, dat de stad niet door spoken wordt bewoond.

Alleen de spionnetjes kijken u aan, spiegels, die van buiten aan de
vensters zijn bevestigd en waarin de vrouw des huizes, gemakkelijk
achter haar _horrikje_ gezeten, dat is een groen scherm in den vorm
van een klaverblad, uren aaneen gadeslaat wat er voorbijgaat, juist
als visschen doen in het water van een goudvischkom.

O, die vriendelijke doodschheid der hollandsche woningen op een
grijzen achtermiddag in September!

Met mijn camera in de hand, ben ik de kleinste straatjes doorgegaan,
overal met mijn onbescheidenheid binnendringend, waar ik er maar kans
toe zag. Ik dwaalde langs de plechtige kaden, waar het rood der daken
zich voegde bij het bruin van 't vele hout, dat in het water dreef en
bij het rossige waas der boomen, dat den herfst verkondigde. Ik liep
langs de oevers van het groote kanaal; jonge meisjes wisselden er
teekens met de melkboeren aan den overkant, omlijst door den vlakken
horizon, waarin een molen draaide.

Ik kende spoedig tot in de kleinste bijzonderheden den korten doolhof
van wegjes en straten, die alle zonder onderscheid naar het hoofdplein
leiden, waar 't stadhuis te vinden is met al zijn beeldhouwwerk, waar
de weekmarkt wordt gehouden en waar de tram van Vlissingen stopt,
de zeehaven, waar stoombooten van allerlei naties binnenvallen.

De voorstad, die erheen leidt, brengt u aan een brug. Die brug gaat
in het midden omhoog als een dubbel luik, om de schepen met masten
door te laten. De bewerking duurt een goed kwartier, gedurende welken
tijd de weinige personen, die over de brug wenschen te gaan, in 't
minst geen blijk geven van verveling. De brugwachter leunt, als een
mandataris in het volle besef van zijn verantwoordelijkheid, tegen de
leuning; hij zwijgt en wacht op wat de schipper zal verkiezen te doen,
die zijn schuit met de plechtige langzaamheid van een voorvaderlijke
schildpad doet voortschuiven.

Die brugwachter was inderdaad op zichzelf een echt hollandsch
poem. Rossig in de rossige omgeving, stond hij daar met zijn pijpje
tusschen de lippen geschroefd; een kalme wijsbegeerte straalde van
hem af: de philosofie van de neutrale lichamen, bij tusschenpoozen
zich bewegend naar een onduidelijk aangewezen doel. In hem herleefden
de gestorven geslachten der Nederlanders met de afgemeten gebaren,
die zwegen en droomden en eeuwen van geduld stelden tegenover de
koppige aanvallen van de verraderlijke zee.

Dit is wel echt het karakter van den Hollander. Omringd door het water,
vechtend tegen het water, gevoed door het water, heeft hij de zachte
zwaarte van het water zich eigen gemaakt, dat geluidloos nadert en
onder zijn kleurrijke oppervlakte vreemde werelden verbergt.

Met zijn glad rond gezicht, zijn naar de mode van Lodewijk XI geknipte
haren, zijn dikke handen en zijn beenen in een wijde broek, lacht de
Hollander zelden of nooit, schreeuwt nimmer, vecht niet met woorden
en schijnt in zijn ernstigen blik een wereld van gedachten of van
nevelachtig gepeins te weerspiegelen.

Rossig in de rossige omgeving, rookte de symbolische brugwachter
zijn pijpje, onbekommerd om de overdenkingen, waarin zijn beeld mij
dompelde. Toen het schip voorbij was, draaide hij een ijzeren kruk om,
en de toegang was weer open.

Dit hoekje van de stad was nog stiller dan het overige. Een peinzende
moeder liep er met haar kleinen jongen, die in een doek gewikkeld was,
en geen ander levend wezen was er te zien, geen geluid te hooren dan
het geklepper van den nabijzijnden molen.

De volgende dag was een Donderdag, marktdag te Middelburg. De zon
weigerde mij niet alles op mijn smeekingen en tintte rose de jagende
wolken, die uit den Oceaan gekomen waren. Ik ontbeet vlug met eieren en
ham, verkwikte mij met thee en bereikte de Groote Markt, het tooneel
van den handel.

Drie of vier verplaatsbare winkels, een stroom van boeren en boerinnen
en wagens met witte kappen bewees, dat er wel lust was om zaken te
doen; maar ik zocht overal tevergeefs naar de menigte, die er moet
wezen om aan den straathandel levendigheid te schenken.

In Zeeland is er om zoo te spreken noch landbouw noch industrie. Bij
gevolg kan men er niet uitstallen, als bij ons, die hoopen groenten,
eieren, vruchten of bloemen, waar omheen de huisvrouwen zich
verdringen.

In Zeeland produceert de boer niet veel anders dan melk, boter,
beetwortels en aardappels. De melk en de boter worden bij de klanten
thuis gebracht door de boerinnen, zooals wij reeds hebben gezegd. De
beetwortels gaan per schip naar de fabrieken.

Te spreken van een "markt" voor die wekelijksche bijeenkomst die ik
bijwoonde en die nog voortdurend blijft bestaan, zou eigenlijk minder
geschikt zijn. Onder voorwendsel een paar kilogrammetjes boter te
verkoopen, komen de brave luidjes in de stad hun wekelijksch uitstapje
maken, om er kennissen te ontmoeten, enkele inkoopen te doen, pijpjes
te rooken vr het stadhuis en met de handen in de zakken te droomen
in een herberg, waar een biljard staat, zittend achter een groot glas
bier en luisterend naar het droge geluid der ballen, door zwijgende
spelers bewogen.

Welk een kalmte! Dit volk, met meel en vet gevoed, heeft geen
zenuwen. Breed, zwaar, gezet zonder dik te zijn, herinneren die mannen,
die geen begrip van gebrek en ellende hebben aan chineesche bonzen,
in rieten stoelen gezeten, die langzaam onder hun bolle oogen hun
duimen draaien boven hun buik in stille overpeinzing, zonder op den
voortgang van den tijd te letten.

De mannen voegen zich te zamen op een hoek van de markt, om elkander
hun indrukken mee te deelen over den stand van beesten of beetwortelen
en over de gezondheid van hun kinderen. Op enkele vierkante meters
staan daar een heele menigte typen, die van vreugde kunnen doen
beven de afstammelingen van Teniers, Ostade en Potter, al die goede,
overleden schilders.

Groepen oude boeren met korte broeken, gebloemde kousen en hooge
ketelhoeden, wier kaalgeschoren gelaat door losse haarvlokken omgeven
is, voeren den geest naar voorbijgegane eeuwen.

Die oudjes zien er voor 't meerendeel gezond, maar zeer mager uit,
in tegenstelling met de dikke jongelui en aantoonend, dat juist zij
het oudst worden, die wat droog van spieren zijn.

Uit die algemeene zwaarwichtigheid moet niet worden afgeleid,
dat de intellectueele vermogens beperkt zijn. De Hollander is goed
onderwezen; hij leest wel niet veel, maar onthoudt, wat hij leest. Zijn
goedaardigheid en stugge, massieve manieren zijn dikwijls slechts iets
uiterlijks; men zou, eer men er te vast op bouwde, den onmerkbaren
glimlach moeten kunnen verklaren, die soms rimpels om de ronde, blauwe
oogen doet verschijnen en om de zachte, ongerimpelde monden. Hij heeft,
wat men noemt, den moed om tegen de dingen in te gaan, voortkomend uit
gezond verstand en uit berekening. De eeuwenlange strijd, ondernomen
tegen de zee en de vernielende rivieren, heeft hem groote volharding
geschonken en een onbegrensd geduld, een echte kracht van inertie. Hij
is werkzaam, maar die activiteit is niet onstuimig en wordt aan den
dag gelegd in stillen, geregelden, volhardenden arbeid.

Spaarzaam is hij ook, en in dagen van overvloed blijft hij zuinig;
grootheid en ijdelheid toont hij alleen bij groote gelegenheden,
openbare inschrijvingen, bruiloften of kermissen.

Als een hollandsche boer zijn dochter uithuwelijkt, geeft hij een
gastmaal van stavast. Oudtijds waren de feesten bij bruiloften
zoo algemeen in de zeden doorgedrongen, dat een wet tusschenbeide
moest komen, om te bepalen hoeveel violen er mochten zijn, hoe groot
de waarde der geschenken mocht wezen, en wat de prijs per couvert
moest zijn.

Bij tween en drien staan de melkboeren te praten over allerlei
kleinigheden, op neutralen toon gezegd, terwijl de rook der sigaren
hun oogen in een zilverachtig schijnsel hult, of wel, ze gaan met
langzame schreden naar de herberg en zetten hun vertrouwelijk praatje
voort op de banken langs den muur.

De herbergzaal, of liever de biljardkamer, heeft veel overeenkomst
met onze herbergen en caf's. Al de ruimte wordt ingenomen door het
enorme biljard met zakken aan de vier hoeken. Verder staat er een
ronde tafel met een gestreept kleed er over, en alles, wat er noodig
is, om te schrijven; stoelen, netjes in rijen geschaard, voltooien
het eenvoudig ameublement voor de wijze klanten.

Men zou, als men daar binnentreedt, kunnen meenen, dat men in het huis
van een particulier is, die u vriendschappelijk, met de ellebogen op
de tafel geleund, een lekker glaasje zal aanbieden.

Op het marktplein ziet men beslist alleen mannen. Waar gaan wel
de vrouwen heen? Ik krijg een drietal huisvrouwen in het oog, die
voortloopen met manden aan den arm, en ik volg ze. Zij brengen mij
weldra op een groote binnenplaats, omringd door een klooster, en in
het midden geeft een oude iep koele schaduw.

Dit is het heiligdom der huisvrouwen. Zij staan er kalm en langzaam
en nauwkeurig zaken te doen in haar wijde rokken, groote boezelaars
en helder gekleurde doeken, de witte mutsen versierd met goud en
zilver. Enkele hebben hun manden neergezet op schragen, die ervoor
klaar staan, of op den grond naast de afgevallen bladeren en wachten
met eindeloos geduld, tot er een koopster opdaagt, om haar te ontlasten
van de vette koopwaar. Anderen staan stil, draaien wat heen en weer,
loopen rond en staan weer stil, zwijgend met onbeslisten blik en
dwalend oog, alsof ze er niet heel zeker van waren, dat zij den vasten
grond betreden.

Verlangt u boter?

Wij wenschen boter.

Hebt u kaas?

Wij hebben kaas; zie, hoe zacht ze is.

Die vragen, die antwoorden, suizen zachtjes met het geluid van den
wind door de takken van den grooten boom, en enkele vrouwen vertellen
elkar kalm, op welke wijze zij het smakelijke product bereid hebben
met de melk van dien en dien dag, afkomstig van een bepaalde koe.

Onbeduidend en bolbleek zouden die hollandsche dames zijn zonder
haar bijzondere kleeding, juist als die anderen in moderne toiletten,
die alle bekoorlijkheid missen. Met de eigenaardigheden van het land
passen zij op het archasche fond en blijven in haar rechte, statige
houding, alsof ze altijd en overal op doek vereeuwigd moesten worden.

Haar bloote armen, hard geworden door den wind, dragen manden, die met
roode, blauwe of gele doeken toegedekt zijn, en daar het nog zomer is,
dragen zij hoeden op het hoofd in den vorm van omgekeerde bloempotten
met groote pompons versierd.

Onder den olm met bruine takken komen haar gestreepte sjaals flink
uit, zooals zij zich buigen naar de geopende manden der boerinnen,
die mooi zijn als ze nog niet veel jaren tellen, zooals al wat jong
is, ondanks de stijve kleeding, die de buste in rechte hoeken omspant.

Haar voeten, die niet weten wat haast is, drukken de steenen van het
oude plaveisel, en dat is het eenige geluid, dat men verneemt, gedempt
nog in de algemeene stilte.... De zeeuwsche vrouwen schijnen, zou men
zoo zeggen, aanhoudend kostbare geheimen met zich rond te dragen, die
zij enkel aan elkander kunnen openbaren achter een muur, beschilderd
met lichte en donkere strepen en achter de groene zonneblinden vr
de vensters. Haar vochtige oogen weerspiegelen de groote weiden, waar
de jonge koeien grazen, die dikwijls worden gemolken; haar smalle
voorhoofden, stijf geknepen in het kanten omhulsel, zijn blijkbaar
nog onder den indruk van het liedje van 't melken, dat tweemaal per
dag wordt afgespeeld, dat liedje van de melk, die druppel na druppel
met bobbels in den emmer valt, en haar handen zetten nog de bewegingen
als van een harpspeelster voort, waarmee zij de blanke uiers streelen.

Zouden ze zoo zacht zijn als dat voedend vocht?... Laat ons geen te
haastig oordeel vellen! In Zeeland, in Friesland en in Groningen zijn
er brunetten en blondines, rossigen en anderen met kastanjebruine
haren, en zoo de overdaad van zachte spijzen haar aderen heeft gevuld
met een flauw en waterachtig vocht, zij zullen zonder eenigen twijfel
in haar gevoelens niet verschillen van de andere dochteren Eva's.

Dat zijn overdenkingen, waartoe de marktdag in Middelburg iemand
brengt. Zonderlinge markt voorwaar, waar men op de teenen loopt in
eeuwigdurend geflaneer.

Een zeventigjarige, steunend op zijn kleinzoon, lacht mij vriendelijk
toe. Hij is het verleden, hij met zijn costuum van een vlaamsche
schilderij; het kind is het tegenwoordige, de toekomst met zijn
knellend petje en vierkant afgesneden buisje. Ik wenk en wijs op mijn
camera. De kleine wil den ouden heer wegtrekken van dat gevaar, dat
mijn instrument opraper van beelden wezen kon; maar de oude staat
stil en neemt een nobele houding aan als een groot heer, die wel
graag bewonderd wordt.

Een hevige regenbui valt plotseling neer op markt en straten en
huizen met puntdaken; een uur lang klettert het en ruischt en spat
en drijft de kalme boeren in de herbergen; dan schijnt de zon weer,
en er worden toebereidselen gemaakt voor de thuisreis.

De groote wagens in den vorm van schuiten, overdekt met witte huiven,
komen van alle kanten te voorschijn en staan in rijen geschaard. De
meisjes, blij dat ze eens uit zijn; de huisvrouwen, tevreden over
haar inkoopen en haar gezellig gebabbel; de boeren, voldaan over hun
marktwandeling en verzadigd van bier en jenever, allen stijgen in.

_Tott werziens! ... Goedag!_

De paarden schudden met de ooren, tillen de slappe beenen op en
vertrekken, trip, trep, trip, trep, langzaam door de nauwe straten die
goed geplaveid zijn, met zoo min mogelijk gedruisch, naar de stallen.

De stad, die een oogenblik druk en woelig is geweest, herneemt haar
gewone, slaperige kalmte. De zon daalt lager. De grachten schitteren
in veelkleurig licht. In de vallende schemering gaan booten voorbij,
stil met opgezette zeilen en een licht geklots van het water. De
donkere molens maken ter begeleiding van den zonsondergang stomme
teekens, voorbijgaand als de minuten. Achter de neergelaten gordijnen
der huizen verschijnen bleeke lichtschijnsels. Stilte, stilte,
stilte.... Middelburg, hoofdstad van Zeeland op het eiland Walcheren,
verdwijnt in den nacht ...

Zoutelande, een dorp verloren achter de duinen, dichtbij de zee. Een
groote molen wijst de plaats aan. De avond valt. Langs de steenachtige
wegen, met slooten er naast, huilt de wind, kondigt den naderenden
vloed aan. Aan den voet der hooge bergen van zand een hoofdstraat,
schoon als de vestibule van een htel, met een bruin plaveisel en
lichte, geschilderde en gewasschen huizen. Een enkele herberg, waar
ik tegen de deur stoot. Rondom het biljard vier of vijf mannen met
korte broeken, die rustig spelen. De waard, een kleine grijsaard met
een rond, verheugd gezicht; de waardin, een groote veertigjarige met
verstandige oogen. Zij gaat vr mij staan met de handen op de heupen
en begint in 't Hollandsch een lang gesprek. Ik glimlach en maak een
beweging van spijt. Met behulp van het woordenboek, dat ik uit mijn
tasch haal, geef ik haar te verstaan, dat ik een kamer noodig heb
en voedsel.

Zij brengt een vinger aan het voorhoofd: "Begrepen!" en gaat
heen. Zij komt eenige oogenblikken later terug met haar dochter,
ook groot en forsch, en begint opnieuw een gesprek. Ik leg voor het
meisje mijn wensch bloot, en beide zijn het geheel eens, zeggende:
"Begrepen!" Helaas!... het meisje gaat den vader halen, die ja zegt
op alles, wat ik aanwijs, steeds maar lacht en met het hoofd knikt op
de manier van porseleinen poppetjes. Wanhopig doe ik mijn mond open,
steek er den voorvinger al kauwend in, en buig mij over een tafel
met de oogen dicht.

Zij vouwen de handen, zijn verrukt en kijken elkander aan: "Wat is
die man toch gek en wat doet hij dwaas!"

"Begrepen, begrepen," zeggen ze, en verwachten misschien, dat ik
nog meer door gebaren zal aanwijzen; maar ik zeg bij mij zelven, dat
ik hier toch geen Kaffers of Berbers vr mij heb, en ik ga waardig
op een stoel zitten, de tong uitstekend als bewijs, dat ik wel zou
willen drinken.

Er wordt mij melk gebracht. De schemering wordt zwaarder. In de hoop,
dat ze wel wat voor mij zullen braden, ga ik uit. De wind is hevig,
blaast door mijn haren, en ik zie niemand buiten. Ik beklim het duin;
men kan er niet staan. De zee schuimt tegen de palen, geplaatst langs
de dikke steenen, die het zand moeten tegenhouden. In de verte vecht
een antwerpsche stoomboot tegen den wind en schuin waait haar rookpluim
achter haar aan.

Brr, wat is het koud! Ik ben wel genegen den lof der Zeeuwen te zingen
hier boven van mijn berg; maar de molen, die statig ronddraait ginds
aan 't eind van het dorp, schijnt mij uit te lachen met zijn groote,
zwaaiende armen.

Ik ga terug naar de "Roode Leeuw, logement en koffiehuis." De
biljardspelers zijn weggegaan. De baas rookt zijn pijp bij 't fornuis,
terwijl zijn dochter aardappelen zit te schillen.

De huisvrouw houdt mij haar vinger voor en wijst naar de deur van
een kamer. Ik geef gevolg aan die peremptoire uitnoodiging en vind
op een tafellaken een glas melk, twee eieren en kaas, bescheiden menu
van de kluizenaars uit Galli in den tijd der barbaren.

Mijn maag voelde hol en leg na zoo'n middag van beweging, en ik vroeg
luidop om meer. Er was niet meer. De vrouw keek mij met ontzetting
aan en stelde een nieuwe speech samen, waarvan ik niets begreep.

"Brood en melk, lief moeder", wees ik haar in het woordenboek, met
een gebiedende beweging.

Begrepen!

Helaas, ik kreeg dan ook niets anders dan brood met boter, besproeid
met bier en melk.

Toen ik mijn razenden honger had gestild, voegde ik mij bij de familie
om 't fornuis, waar een ketel met water stond te koken. Het meisje
schilde nog altijd aardappelen, en de moeder, met het hoofd voorover,
krabde zich den hals, terwijl de vader, diep gedoken in een houten
leunstoel, kringetjes blies uit zijn groote pijp.

O, hollandsche avond, daar in die dichte herberg, glimmend van
properheid, ik zie u nog! De geverfde hangklok scandeerde de minuten
met haar rooden slinger. De muren, behangen met porseleinen borden
met blauwe bloemen, gaven bij het schijnsel van de lamp een illusie,
alsof ze van marmer waren en een lichtende lijst vormden om de massieve
meubels van bruin mahoniehout.

Pietje is een aardig boerinnetje, en de ouders ook zijn beste
luidjes. De taal der oogen, die rijk is aan uitdrukking, vervangt
in voldoende mate die der tongen, en wij vangen weldra elkanders
gedachten op, als we ons best doen er uitdrukking aan te geven.

Die stilte en rust irriteeren echter na verloop van een uur mijn
zenuwen van levendigen Franschman. De oude is zoo tevreden, dat hij mij
ergert, en het gekrab van de moeder werkt aanstekelijk. Ik profiteer
van het oogenblik, waarop de dochter met haar werk klaar is en wijs
met een energieke beweging naar de zoldering.

De moeder heft het hoofd op en glimlacht. Dat behoort tot haar
departement. Ze legt haar breiwerk neer en voert mij naar een ladder,
achter de keuken, steekt den vinger in de hoogte en reikt mij de
kaars aan onder het uitspreken van een ingewikkelde redevoering.

"Goed, goed", zeg ik, "lief moeder, ik wensch u een goeden nacht,
u en uw ronden echtvriend en uw dochtertje en 't heele huis!"

Ik klauter de ladder op en kom op een soort van zolder, waar de rijkdom
aan groente der familie ligt opgestapeld, rechts een hoop aardappelen,
links een pyramide van wortelen, vr mij een berg uien, elders erwten
en boonen en gereedschap; tusschen twee balken eindelijk een alcoof
van ruwe planken en daarin een matras, twee lakens en een deken.

Ik sla de armen over elkar, vol verontwaardiging ... maar ik bedenk,
dat in een dorpje verloren onder tegen de duinen van een afgelegen
eiland, men geen pretensies hebben moet, en ik volg Napoleon na, die,
uit vrees verrast te worden, zich geheel gekleed te slapen legde.

De wind joeg over het dak, deed de pannen kletteren met krachtige
stooten; maar mij vastklampend aan de geruststellende gedachte,
dat hij eerst het dak moest kapot hebben, vr hij mij kon bereiken,
sloot ik de oogen en viel in slaap....

's Morgens stroomde een prachtige zonneschijn door het zolderraampje
en legde een stralenkrans om mijn hoofd. Ik haastte mij naar beneden
en naar buiten, waar ik tot mijn verbazing een abnormale drukte van
klompen hoorde.

Dat geluid van het hout op de steenen riep in mijn herinnering Bretagne
op en de kadans van de klompen op de bestrating der oude stadjes.

Maar dat is toch niet mogelijk, zei ik tot mijzelven, dat de jongens
van Gumn en de meisjes van Fouessant de zee zijn overgestoken in
den nacht, om mij deze aubade te brengen? Misschien ook zijn het de
geesten der gestorvenen uit mijn land, die mij willen verrassen en
mij beletten, mij te laten naturalizeeren als Hollander. Ze hadden
anders in dat opzicht niet heel veel te vreezen....

Beneden aan de ladder lachten de vrouwen mij toe; de baas, weer in
zijn stoel gezeten, stiet een groote rookwolk uit en rolde met zijn
blauwe oogen.... De weg was eenvoudig vol met kleine kinderen, die
vr schooltijd heen en weer drentelden.

Verrassend, die kinderen! In andere landen maken huns gelijken een
diabolisch lawaai, schreeuwen, stampen, loopen elkar achterna, spelen
krijgertje, verstoppertje of springen touwtje.... Hier wandelen ze
maar. De jongens met de handen in de zakken, de pet op n oor, duwen
elkar zoo'n beetje weg. De meisjes, als groote menschen gekleed,
met wijde rokjes en groote doeken, dansen in 't rond, elkander bij de
hand houdend, of loopen hard bij 't klepperen van de wijde klompjes,
terwijl ze met de dunne, bloote armpjes zwaaien.

Dit was een frisch, opwekkend gezicht. Een heldere Septemberzon, een
straat, zoo schoon en rein als 't schip van een kerk, roode, bruine of
witte huizen met roode daken, kleine meisjes, in het blauw gekleed,
in druk bewegen vol gratie; men kan er werkelijk spijt van hebben,
dat men niet met n penseelstreek al die kleuren op het doek kan
brengen, waaruit een tooneeltje van dezen aard bestaat.

De kinderen werden mij gewaar en vlogen weg als opgeschrikte vogeltjes,
toen ik de beweging maakte van hen te willen photografeeren. Ik liep
ze achterna. Zij lachten, liepen achter muren om, verborgen zich,
kwamen weer voor den dag, en ik kon mij al gauw verbeelden een wolf
te zijn, die schaapjes achtervolgde.

Klik, klak, daar had ik ze! Ik overviel hen in een schuilhoekje, waar
ze zich verbergden, en waar de meisjes de handen vouwden, als om genade
te smeeken, terwijl de jongens daarentegen mij brutaal trotseerden.

Maar de kinderwereld met haar levendige kleuren liet mij in Zoutelande
weldra alleen en trad het schoollokaal binnen.

Ik deed een omgang door het dorp. Geen levend wezen te zien. Overal
dichte deuren. Geheimzinnig gesloten vensters. Stilte. Geen
waschplaats, waar men het kloppen op het linnen hoorde. Geen enkele
huisvrouw aan 't keuvelen met een burin of aan het werk op haar
plaatsje of in haar tuintje. Nu en dan treedt een vrouw naar buiten
met emmers water en een ontzaggelijken bezem. Zij wascht haar huis
van boven tot beneden af, plechtig en ernstig, en met een ladder klimt
ze tot het dak, om de pannen af te vegen, en doet dan haar deur weer
dicht, waarachter men zich haar denkt, altijd wasschend, boenend,
vegend, poetsend en opsierend.

Er is veel gesproken over de hollandsche zindelijkheid. Die is geen
mythe. Dit volk heeft den trots der properheid. Te midden van water
levend, onder een regenrijken hemel, door wind geteisterd, gebruikt
het wind en regen, om vuil en stof weg te waaien en weg te spoelen.

Armoede schijnt in deze streken onbekend; zoo zij bestaat, is ze
zoo zindelijk, dat men haar niet herkent. Elke familie behoudt van
geslacht tot geslacht de zware, massieve meubels, waaromheen een
ongeschokt en rustig leven wordt geleid.

Het omringende water, de gedwongen beperktheid van de wegen te land,
het ontbreken van landbouw en industrie hebben tot die zeden en
gebruiken aanleiding gegeven. En Holland is een land van burgers,
van schippers en makelaars, maatschappelijke kringen, waar men aan
comfort is gewend.

De kleinste boer overbluft u nog met zijn kleeding, zijn porselein en
zijn blinkend huisraad. Hij maakt den indruk van iemand, die zeker is
van zichzelven, van zijn verleden, zijn heden en zijn toekomst, in
't minst niet verontrust door een progressieve belasting, dreigende
politiek of ongemotiveerde zenuwachtigheid.

Van nature is de Hollander teruggetrokken en stil; uit gewoonte hecht
hij zich aan zijn werk, zijn zaken en het familieleven.

Hij is godsdienstig, maar zonder in uitersten te vervallen. Het
hervormde geloof, dat hij aanhangt, lokt niet uit tot vroomheidsvertoon
en staat geen weelde toe in beeldjes of heilige voorstellingen,
zooals men wel in andere landen ziet.

De kerken hebben enkel kale of gewitte muren. Men gaat er des Zondags
heen, om naar de preek te luisteren. Geen bevallige feesten of
symbolieke dagen of herinneringsplechtigheden. Men gaat naar de kerk,
omdat het nu eenmaal zoo behoort, en omdat men doen moet, wat volgens
de traditie altijd gedaan is.

De Bijbel is een nationaal monument, dat de hervorming op n lijn
stelt met de vaderlandsliefde, een gevoel, dat diep geworteld is in
't hart der Nederlanders, en toen Lodewijk XIV, na Utrecht te hebben
vermeesterd, op de groote markt alle exemplaren liet verbranden, die
men ervan kon vinden, zou hij zonder grootspraak zich hebben kunnen
beroemen, het intellectueele Holland van dien tijd aan de vlammen
te hebben overgeleverd. De vrijheid van geweten wordt echter overal
geerbiedigd en dat wel sinds onheugelijke tijden. De godsdienstige
secten zijn ontelbaar, en alle leven in de beste verstandhouding
met elkander. Katholieken, protestanten, joden, muzelmannen, allen
genieten precies dezelfde rechten en prerogatieven.

Men is er streng van zeden. Nooit hoort men van misdaden of avonturen,
waarbij de liefde in het spel is. De jonge man, die zijn oog laat
vallen op een jong meisje, doet zijn best om het tot een huwelijk
te brengen, als ten minste het onderling belang erbij gebaat wordt;
alles blijft kalm in de polders, ook de gevoelens.

Die ingetogenheid verdwijnt n keer in het jaar en wordt tot een
deelneming aan woeste gelagen; dat is bij gelegenheid der kermissen.

Gedurende de dagen, gewijd aan deze nationale feesten, brengt de
boer naar buiten alles, wat hij in gewone tijden moet binnenhouden en
onderdrukken, namelijk de leelijke zijden van zijn natuur; hij danst
als een schuit op hooge zee, rookt als een antwerpsche stoomboot
en drinkt als den Helder op de dagen van overstrooming. Drie
dagen en drie nachten lang verlaat hij, meer bepaald in sommige
steden, het koffiehuis niet. Op de tafels en den grond uitgestrekt,
verbijsterd door de muziek en ongevoelig geworden door den drank,
blijkt hij een ander wezen geworden met buitensporige gebaren en
luid klinkende woorden, en men zou niet weten, waar men hem bij moest
vergelijken, als het niet bij Bacchus zelf was op zijn dagen van groote
uitbundigheid. De schilderijen van Rubens in het Louvre, zoo cru in
hun realisme, kunnen nog als symbolen dienen, indien een schets vol
echte waarneming symbool kan zijn voor een veeleischend geslacht.

Het bacchanaal,--dat moet erkend--verschilt naar gelang van de
provincies en krijgt meer en meer neiging, tot een familiefeest
te worden, 't geen dan weer op verlies van schilderachtigheid te
staan komt.

De kermissen hebben voor de jongelieden bijzonder groote beteekenis,
omdat ze voor hen zeer zeldzaam voorkomende gelegenheid zijn,
zich vrij te bewegen, uit te gaan. In dit moerassige land, waar van
eigenlijke velden en buiten zijn geen sprake is, kan men niet, als
bij ons, des Zondags gaan wandelen langs schaduwrijke wegen tusschen
bloeiende weiden.

Van tijd tot tijd gaat men wel eens per boot naar Rotterdam of
Zierikzee, maar die uitstapjes halen niet bij een kermisdag in de
hoofdstad der provincie. Daar gevoelt men zich te huis; men kan er
op zijn gemak okshoofden zwart bier verzwelgen en wafels verorberen,
uien eten en komkommers of geconfijte citroenen in azijn, gekruid
met harde eieren....

Wat de huwbare dochters aangaat, zij nemen ijverig deel aan de
kermis. Lang van te voren zorgen zij voor de mooie mutsen met de ronde
vleugels, die haar oogen zoo goed doen uitkomen, voor den bloedkoralen
collier, het blauw fluweelen dasje, de gouden plaatjes op het voorhoofd
en de gouden stiften op zij, met al die kleine extraatjes, waardoor
de jongens worden bekoord.

Die kostbare sieraden zijn de trots van de boerin. De droom van ieder
is, ze prachtig te kunnen vertoonen, van echt goud, opdat de wind ze
even kan bewegen en ze kan doen ruischen als de vleugels van een libel.

Te Zoutelande wordt verteld, dat een zeer mooi, maar ongelukkig
boerinnetje, dat door de gierigheid van haar vader geen sieraden
bezat, een heftig verlangen voelde om op dit punt de gelijke te
zijn van haar kermisvriendinnen, opdat zij evenals deze gevraagd zou
worden te dansen, te lachen en poffertjes te eten door de jongelui,
die de armoede minachten.

Toen zij naar de markt van Middelburg ging, om de melk en de boter
van de boerderij te verkoopen, overpeinsde ze die lastige quaestie
en was diep bedroefd, zoo geminacht te zijn, hoewel ze er aardig
genoeg uitzag.

"Ik wil schitteren", dacht ze, "want ik ben mooier dan de anderen".

Onder het voortloopen, in haar gesloten jakje met het bruine juk
op de schouders, keek ze mistroostig naar het water in de slooten,
dat de zon weerspiegelde, en zei tot zichzelve, dat, zoo dit water
melk was, zij dadelijk genoeg zou hebben, om de mooiste sieraden te
koopen van de goud- en zilversmeden in Schoonhoven.

Toen begon ze te lachen, stond stil, nam van haar geverfde emmers
het deksel af, zag, dat ze niet vol waren, deed er een weinig bij van
't water, dat in vele tinten straalde, en zette haar weg voort.

In plaats van acht liters melk te verkoopen, verkocht ze er elken
dag twaalf en verborg in een laadje de opbrengst van haar list.

Het ging zoo goed, dat ze weldra een aardig spaarpotje had en de zoo
begeerde sieraden kon koopen. Zij was uitgelaten blij en kon niet
laten, toen ze uit de stad terugkwam, tegen haar slapen de mooie
sprieten te hechten en in het water te kijken als in een spiegel.

Helaas, toen zij zich bukte, om haar gelaat te zien, raakten de
krullen, die niet goed vastzaten, los en vielen in het stroomende
water.

Reneetje, op het gras gezeten, vervuld van spijt en boosheid
en teleurstelling, schreide heete tranen, tot de wind haar deze
verstandige woorden in het oor fluisterde:

"Wat uit het water komt, moet tot het water terugkeeren."

Er wordt niet bij verteld, of het jonge meisje den troost aanvaardde.


II

Ontmoeting op straat.--De mooie ruiter.--Teleurstellend
djener.--Vader Kick.


Zoodra ze getrouwd is, na de uitbundige pret van de bruiloft, bergt de
boerin in de laden alle kleine sieraden en snuisterijen, waar zij zoo
op gesteld was als jong meisje. Het gebruik wil namelijk, dat zij er
ernstig ga uitzien, juist als de vrouwen, die geen veroveringen meer
willen maken, omdat ze een levensgezel hebben gevonden. Ze bewaren
alles voor haar dochters, als die op haar beurt, bij de eeuwige
herhaling der verschijnselen, een boer aan den haak moeten slaan.

Maar kom ... ik loop te lang in Zoutelande rond, luisterend naar den
wind, die mij deze vroolijke dingen vertelt tusschen twee duwen tegen
de wieken van den grooten molen.

Een melkboer, in zijn kar als een schuit, met een groot harig paard
er voor, gaat naar het veld, en zijn wagen verbreekt de stilte.

Elders ontmoet ik even buiten het dorp een miniem klein paartje,
jongetje en meisje. Zij, zeer moederlijk en grappig, beknort den
kleinen jongen met een basstemmetje en wil hem terughouden van
den weg naar Westkapelle, waar de overmoedige Willem zich heen wil
begeven. Zij trekt hem uit alle macht bij een slip van zijn jasje,
en men herkent in haar reeds het toekomstige vrouwtje, dat haar man
afhoudt van verkeerde wegen ... beminnelijke zorg!

Een doffe galop ... Wat is dat?... Een man met blauwe oogen in een
verheugd gezicht, komt van het land terug met zijn twee paarden,
zijn vrouw en zijn meiden. Hij groet en springt op den grond,
al verblijder kijkend, wijst op zijn beesten, die er goed uitzien,
dan op mijn instrument, legt een hand op zijn borst en de andere in
de neusgaten van zijn eene paard en geeft te verstaan, dat het beeld
merkwaardig mooi moet worden.

Met een glimlach stap ik drie passen achteruit, twee naar rechts, n
naar links, mompel een goedkeuring en open het klepje van mijn camera.

"_Atsjoem!_" proest het paard nommer 1.

De ruiter, nu bepaald ten toppunt van voldaanheid, deelt mij zijn
indrukken mee, helaas, zijn ze voor mij onbegrijpelijk en gaat dan
weg met een beweging, die schijnt te zeggen: "Tot strakjes, wacht
hier op mij!"

Nieuwsgierig kijk ik eens naar de kerk, die er kaal en somber uitziet,
naar het groene veldje, waar de dooden worden begraven zonder eenige
versiering of grafteeken, want wat van de aarde komt, moet tot de aarde
terugkeeren zonder meer; heel de hollandsche philosofie ligt in dien
zin. Ik denk er juist over, het duin te gaan bestijgen, toen opnieuw
een drievoudige galop zich doet hooren. Ik bespeur mijn verheugden
ruiter, die met drie nieuwe paarden komt aanhollen. Hij zegt iets
en stijgt van het paard. Hij gaat bij het eene staan en verklaart,
dat ik nu met mijn werk kan voortgaan.

"Je maakt misbruik, vriend!" antwoord ik in het Fransch.

En om er van af te zijn, draai ik zijn hoofd om en doe alsof ik hem
kiek. Tot driemaal toe, met elk der drie paarden, herhaalde ik het
grapje; toen kreeg ik een adres, met potlood geschreven, en tegelijk
een betuiging van de grootste ingenomenheid.

_Tot werziens, tot, tot...._

Ik beklom het duin. De kinderen, uit school gekomen, toffelden in koor
op hun klompjes, klots, klots, klots.... Ik moest hen tot mij zien
te lokken door iets ongebruikelijks. Met mijn pet zwaaiend, begon ik
hard te loopen en daarbij heftig met de armen te zwaaien, het gezicht
naar de zee gekeerd, alsof ik daar iets heel bijzonders zag.

Die buitensporigheid wekte de nieuwsgierigheid. Langs alle voetpaadjes
kwamen de kinderen aanloopen; ze trokken elkander mee en kogelden in
het zand. Ik liep naar het strand tot aan den rand der golven. Zij
volgden mij. Daar nam ik plotseling een handvol centen uit mijn
zak. Zij stortten naar voren. Ik raapte wat gevallen was weer op. Een
deel van de kleinen vluchtte verschrikt weg; de rest, allen meisjes,
bleef om mij heen staan en stak de magere bloote armpjes uit.

"Hoepla!" riep ik; "dans eens voor mij!"

De een hief een liedje aan, en daar begonnen ze te dansen, blauw en
rose geteekend tegen den grijzen hemel vr dien blauwgroenen horizon,
n en al frischheid in den koelen morgen.

Na vijf minuten werkens, gingen de kleinen om mij heen staan, en ik
legde in de roode kinderhandjes de verwachte geldstukken. Toen vlogen
ze weg als kwikstaarten en herinnerden mij tevens, dat het tijd was
voor het lunch.

Op het duin kwam de waardin uit de herberg mij zoeken. Met de handen
in de zij begon ze een lang gesprek en liet mij daarbij haar mond
en haar tanden, bijna haar maag zien. Ik ging met haar naar het
kleine kamertje met de blauwe, gebloemde borden aan den wand, waar
een hagelwit tafellaken een reeks van schaaltjes van wit porselein
droeg met deksels. Het zag er uitlokkend uit. De waard blies in alle
vriendelijkheid weer veel tabaksrook uit en bracht mij een glas bier.

Plechtig nam ik met de beste verwachtingen het deksel van het eerste
schaaltje, een taai stuk biefstuk dreef in de margarine.... Ik
ontdekte het tweede: roodbruine worteltjes.... Ik ontdekte het derde:
gekookte aardappels.... Ik deed het vierde open: gehakte kool, die
naar heliotroop rook....

De waardin lachte een goddelijk lachje, vol trots.

In verslagenheid proefde ik het vleesch en verslond het in stilte,
met ruime bijvoeging van bier, melk, eieren en boterhammen.... O,
hollandsche keuken! Wat hebt gij mij een last gegeven! Gij vindt
nergens uws gelijke, dunkt mij, of het moest zijn in de spaansche
pablas, de duitsche ham of de arabische koeskoes.

Toen ik een sigaar aanstak, om het leed over het treurig onthaal wat
te verzachten, trad er een der oude mannen binnen. Hij zag er nog
ouder uit dan alle ouden, die ik reeds had gezien. Hij ging dicht
bij het buffet zitten, liet zich een groot glas jenever geven en
ging tegenover den rustigen baas een dutje doen, afgebroken door een
paar zachte woorden. Ik had voor mijn oogen een doek van Teniers,
en ik genoot er ten volle van. Het in woorden weer te geven, is mij
onmogelijk. Geen woord zou de kalmte en rust kunnen schetsen van die
beide ouden, die al rookend hun glaasjes ledigden, en daar zaten in
hun houten leuningstoelen met rechte ruggen, alsof ze er nooit uit
zouden opstaan. Naast hen kookte de koperen ketel; door het groene
horretje vr 't venster vloeide de zon binnen met vaag schijnsel,
dat weerkaatst werd door de borden aan den muur, en de klok, met
bedachtzame haast voortgaand, stiet met haar rooden slinger de minuten
over de hoofden van die heeren, die de kunst verstonden om het leven
te verlengen.

Na een tijd, die lang of kort of middelmatig lang duurde, wat doet
het ertoe, dronk vader Kick zijn glas tot den bodem leg, schudde de
asch van zijn sigaar en ging heen. Hij liep omhoog in de richting van
de zee langs een voetpad tusschen groene heggen, met den rug naar de
roode pannen van de daken.

Wat zou hij daar gaan doen?... Niemand weet het denkelijk.... Op
de duinen keek hij naar den oceaan met de handen in zijn zakken en
een onverschillig gezicht. Toen ik bij hem kwam, wees hij mij een
stoomboot, welker rookpluim den horizon streepte en verzonk toen weer
in stom en diep gepeins.

En hij, vader Kick, was mij aldus een symbool van de geslachten
van Nederlanders, die als vasthoudende eilandbewoners, van de zee
hun tegenwoordig land stalen, en van eeuw tot eeuw hun steenen en
houten borstweringen, hun enorme dijken en hun eindelooze pieren
vooruitschoven in de nevelige ruimte.

In den blik, waarmee de oude vader Kick de bewegelijke eindeloosheid
peilde, scheen hij te zeggen: "Ik heb je, dochtertje, en mijn kinderen
zullen je houden!"


III

Het hollandsche land.--Het water.--De molens.--De landbouw.--De
polders.--De dijken.--Oorsprong van Holland.--Een avond te
Veere.--Wemeldinge.--De vijf jonge meisjes.--Stomme flirt.--De dronken
man.--Het leven op het water.


Een deel van Nederland ligt, zooals bekend is, ver onder het niveau
van den zeespiegel en zelfs van de rivieren, hetgeen de werken van
allerlei aard verklaart, door de inboorlingen gebouwd om het water
tegen te houden, sommige schijnbaar van weinig beteekenis, maar
kolossale werken, als men ze nader onderzoekt.

Voordat de Rijn geboren was, waren de Nederlanden een zee. Op een
goeden dag werd er in de Ardennen een bres geslagen door de meren, in
hun omtrek opgesloten; de bergen weken voor de overweldigende kracht
en hun wanden werden weggeslingerd tot op grooten afstand. De Rijn,
een nieuwe waterloop, teekende toen Nederland, zooals het hem behaagde,
met behulp van Maas en Schelde.

Aanhoudend een massa alluviaal slib aanvoerend, deed hij stapje voor
stapje de zee terugwijken, tot deze haar revanche nam en toen werd
tegengehouden door een nieuw menschengeslacht. De Rijn, zwakker
geworden door de vele zijtakken, die hij uitzond, zou in het zand
gestikt zijn, als de genialiteit der menschen hem niet te hulp was
gekomen.

De krachten van de zee en die van het stroomende water, de neiging der
rivieren, om hun mondingen te laten verzanden, de hevigheid der winden
en de overvloed van regen, van watertoevoer bij den voorjaarsdooi,
deden de drie rivieren zwellen en buiten haar oevers treden, waarbij
zij in het land veel moerassen achterlieten en meren, die drooggemaakt
moesten worden en daarna door dijken moesten worden omringd.

De geschiedenis der overstroomingen in Holland is bijgevolg een
lange, treurige historie; zonder de Hollanders zou Holland er niet
zijn; zonder hun voortdurende waakzaamheid, zou het land weldra een
waterwoestijn wezen.

Van Middelburg in Zeeland tot Amsterdam en Hoorn wordt het land, dat
eindeloos vlak is, door tallooze kanalen doorsneden, door bruggen,
slooten, moerassen en sponzige weiden, waar de beesten soms tot de
knien inzakken.

Men moet zich een reuzendambord voorstellen, in alle richtingen
doorsneden door waterwegen, waarin zich altijd wolken spiegelen en
kleurige huizen, dikwijls van hout opgetrokken, en molens en kudden.

Smalle wegen, met steenen geplaveid, loopen langs de groote kanalen
en brengen steden en dorpen met elkander in gemeenschap.

Weinig of geen landbouw. De veeteelt is voldoende en voedt den bewoner
met vette melk, met kaas en biefstuk.

Het water heerscht alom, het overweldigende water, het water, dat
rijst of daalt met de maan, en dat, zoo ver het oog reikt, zijn zacht
vloeiend reuzennet uitbreidt, waar altijd-door de schepen en de booten
en de eenden gaan.

De weide, van een wonderbaarlijk teeder groen, trekt bij den eersten
oogopslag de aandacht, breidt ver zich uit tot aan den grijzen horizon
en is bezaaid met pyramidevormige daken, met koeien en stieren van
onbegrensde en verbazende rustigheid, die de welriekende geuren
snuiven van de bloeiende grassen en hun tong laten strijken langs
het fluweel der zachte groenheid vr hen.

Het is eentonig, en die eentonigheid, verkwikkend voor het oog als
een licht gewasschen waterverfteekening, wekt indrukken van vredige
kalmte, welker afstraling men overal bespeurt, in de menschen zoowel
als in de dingen.

Zenuwlijders en zij, wier bitter verdriet of wier heftige
gemoedsopstand hen in onrust brengen, moeten hier bij 't dwalen langs
die duizenden van rimpellooze spiegels, te midden van die eindelooze
natuurlijke tapijten, hun hart tot rust voelen komen.

Ziehier een paar schetsen. Na een hevigen regen op den weg van
Monnikendam, een rood huis in een kring van kortdikke boomen; het
lint van den weg ligt vol plassen, heldere vlekken, waarin het blauw
van den hemel zich weerspiegelt. Andere huizen staan verderop; twee
molens draaien heftig met stooten, houden een seconde op, beginnen
weer, draaien, houden stil en draaien weer, de groote stilte brekend
met hun gevleugeld rhythme.

O, die molens!... Hun aantal brengt een mensch van de wijs. Nooit
zou men kunnen gelooven, dat er zooveel zijn. Ze dienen voor alles,
voor het uitpersen van olierijke zaden, het braken van vlas, het
zagen van hout, het pompen van water. Het minste zuchtje wind, dat
over het land strijkt, moet voor de industrie zijn dienst bewijzen,
wordt even vastgehouden om de duizend wieken te helpen draaien,
die hun bewegelijke kruisen teekenen op de grijze lucht.

Groote en kleine, ronde en vierkante, er zijn er van allerlei soort
en vorm en afmeting, van 't kleinste watermolentje, dat wanhopig en
woedend draait, tot den indrukwekkenden toren van den tolhuismolen,
begroeid met zachtgroen mos.

Die molens hebben reden van bestaan. De dijken en de sluizen, die tegen
het buitenwater zijn gemaakt, tegen de zee en de rivieren, zouden
alleen niet voldoende zijn geweest, om Holland bewoonbaar te maken,
zoo het land niet de kunst verstaan had, zich van het binnenwater
te ontdoen, dat aangevoerd wordt door de regens, de hooge vloeden,
de bronnen en de afgraving van het veen. Bij gebrek aan machines,
ging men bij den wind om hulp, en men bevond er zich wel bij.

In 1850 berekende men, dat 30.000 H.A. lands, met inbegrip van het
beroemde Haarlemmermeer, zoo van den Oceaan teruggewonnen en voor
den landbouw beschikbaar gesteld waren.

De groote moeilijkheid bestond in de handhaving van het evenwicht
tusschen de bijzondere belangen van die polders en de algemeene
belangen van het afwateringssysteem, waaraan het land zijn bestaan
te danken heeft. De verdeeling van de watermassa's moet met oordeel
geschieden, of er kunnen de grootste rampen uit voortvloeien. Maar men
voorzag erin door het in 't leven roepen van scholen voor ingenieurs,
waar het kleine leger werd gevormd, dat in opdracht heeft, het
grondgebied te verdedigen tegen den eeuwenouden vijand. Als het
al niet zoo moeilijk is, een sluis te bouwen, een dijk te dichten,
een moeras droog te leggen, er is veel wetenschap en veel oplettende
waarneming noodig, om op de goede wijze de watermassa's af te voeren
en te verdeelen.

Een ander schetsje. Te Westkapelle komen twee vrouwen uit den molen,
waarvan de ramen twee groote oogen lijken boven een deur, die een
neus verbeeldt. En heet Keetje; zij is getrouwd met Jocker, den
eigenaar van den molen; de andere is haar schoonzuster, Van de Eserke,
wier man boer is. Beide verbazen zij zich, dat de boot van Rotterdam
nog niet de zakken koren heeft meegenomen, waarmee men haast heeft,
als men ten minste ooit haast met iets kan maken.

De landbouw, voor zoo ver men eigenlijk hier van landbouw spreken kan,
bepaalt zich tot aardappels, kool, wortels en bieten. Weinig koren,
alleen wat tarwe en haver, en dan nog vlas, ziedaar alles. Dat is
zeker een der redenen, waarom men geen brood eet, maar zich voedt
met meelspijs, melk en boter.

De velden, waar iets verbouwd wordt, zien er slikkerig, vet, leemachtig
uit; in regenachtige perioden zakken de karren er tot de naven der
wielen in. Zoo'n land zou niet geschikt zijn voor de verschillende
producten van onze landbouwstreken.

De beetwortel wordt in Zeeland over een groote uitgestrektheid
verbouwd. Als de herfst in het land is, ziet men van alle kanten
wagens, door sterke paarden getrokken, heele bergen er van naar de
aanlegplaatsen vervoeren. Indrukwekkend verrijzen die hooge hoopen,
alsof er manna uit den hemel was gevallen, en onophoudelijk worden de
vrachten geschift en geteld door groepen, die niet veel haast maken,
terwijl de dikke kegels, die bultig of opgezwollen en log zijn,
symbolen lijken van de menschen, die ze wegen.

De schuiten, het eenig mogelijke vervoermiddel in deze vochtige
oorden, komen ze halen, om ze te brengen naar de rustige fabrieken,
waar de stoom hen zal vervormen.

Over de kanalen met de duizenden van zijtakken glijden de
vaartuigen. Den ganschen dag gaan er zoo voorbij, en men vraagt zich
af, hoe de schippers niet verdwalen te midden van die waterwegen,
die alle op elkar gelijken.... Maar de wind, die hen leidt, bedriegt
hen niet, en zij komen zonder ongevallen in de gewenschte havens,
waar ze hun lading lossen en haar na zorgvuldige opeenstapeling
inwisselen tegen klinkende guldens of tegen ruilwaren.

De voortglijdende schepen en de draaiende molens zijn de eenige
verlevendiging van de al te groene landschappen.

Achter de kunstmatige oevers, aangelegd om het land te beschermen,
komen de met wimpels versierde masten aanglijden, zachtjes en
voorzichtig, en het is allermerkwaardigst, die zeilen en masten te
zien passeeren boven de landen als lange, zwarte kaarsen.

Door het trillend water van 't kanaal wenden de schuiten stil
en ernstig hun steven stroomaf langs de buigende waterlelies en
trekken strepen over het water, en op den kalen oever zeulen magere,
kleine paarden ze voort, langzaam en voorzichtig door het groene
polderland. Links en rechts strekt dat zich onafzienbaar ver uit,
zeen van groen vormend, waar het eenig teeken van menschenleven
gegeven wordt door de molens met hun wijde wiekenvluchten, als spoken
ijlend door de lucht. Zij knikken den reiziger toe, al springend en
huppelend in een rhythme als van den dans. Ernstig loopen koeien en
ossen van bruine kleuren door de velden en scheren de malsche grassen
af, terwijl door het water van de vaarten de schuiten gevolgd worden
door een stoet van eenden.

Holland is het land, waar het allerminst geluiden worden gehoord,
want alles glijdt er over 't water.

Er bestaan booten voor iedere soort van transport, dus ook voor
passagiers. Dat zijn kleine stoombooten, met hutten en dekken, die
zonder eenigen schok voortglijden door de kronkelende wateren.

Als de reis lang is, richt ieder zich in als thuis, zit te rooken
of zet zijn werk voort, als om zuinig te zijn met de stof, waaruit
het leven is gemaakt. Er wordt geschreven, gegeten, geslapen. De
vrouwen naaien, breien, vertrouwen elkander geheimen toe. Van die
haven tot die gindsche ligt voor haar de lengte van een halve kous,
van een boezelaar of een intiem verhaal.

Men vaart langs een eentonig landschap, dat is waar; maar hoe rustig en
verkwikkend is het niet, in die algemeene stilte den vorm der wolken
na te gaan en het oor te luisteren te leggen naar 't geschuifel van
het water, als het door het bootje wordt gekliefd! Dit is een feest
der diepe gewaarwordingen, feest van vloeiend water en nevel, van
't koeltje en het licht en de golfjes!

De minste afwisseling krijgt dadelijk een wonderlijk groote beteekenis,
en men gaat een molen bewonderen, die er wat sierlijk uitziet, of een
roode boerderij, een vreedzaam rund, een jongen, die voorover buigt,
om zijn bootje voort te trekken met behulp van zijn hond.

In 't voorjaar en den zomer geven waterlelies en irissen witte en gele
tinten aan het blauwgroen water van den kant der kanalen, en in de
schemering werpt de zonsondergang van mooie avonden er het geheele
gamma van zijn kleuren neer, en men krijgt de illusie, over goud,
purper en saffier te varen. Wie Holland wil leeren kennen, moet per
boot reizen liever dan per spoorweg. Het aanleggen bij de verschillende
landingsplaatsen brengt den reiziger tot in het hart van 't hollandsche
land en laat indrukken na, die een vreugde zijn voor langen tijd.

Trouwens die methode van vervoer beantwoordt zoo uitstekend aan de
natuur van het land, dat zij de eenig mogelijke schijnt te zijn. De
meeste diensten, die elders per wagen worden verricht, gaan hier door
middel van booten. De groenteboer duwt zijn schuit voort, beladen met
groenten, vrachten of bloemen, zooals hij in Frankrijk zijn ezeltje
of zijn karretje leidt.

Te Amsterdam hebben de verhuizingen te water plaats; melk, bloemen,
hout enz. worden eveneens zoo vervoerd en aan de eene gracht heeft
men de markt voor het eene, aan de andere gracht die voor het andere
product.

Nadat hij het water heeft teruggedreven, weggejaagd en met dijken
beteugeld, houdt de Hollander ervan, het overal heen te voeren; hij
leidt het door zijkanalen en slooten, maakt er de afsluiting zijner
landerijen en weiden van, de barrires voor zijn kudden, zonder dat
hij honden of herders noodig heeft.

Er wordt alleen een uitzondering gemaakt voor de schapen, die dwaze
viervoeters, die verdrinken zouden zonder opzet, doordat ze met hun
neus al te ijverig den weidegrond besnuffelden. Men komt ze soms
tegen langs de vaarten, ijverig grazend, gehoed door hun eigenaar in
een rossige overjas.

Te Wemeldinge, ten zuiden van Goes, vindt men zulke tooneeltjes
ook, getuige dit haastige schetsje, dat mij een mijner meest typisch
hollandsche gewaarwordingen gaf: een avondhemel van lichtgrijze kleur,
een geelachtig kanaal, een langzame schuit, stijve molens, bruine
polder, witte beesten met zachte omlijning, oude man in gedachten,
stilte.... Zelfs de hond blaft niet, als een schaap den verkeerden
kant uitgaat, maar bepaalt er zich toe, zijn snuit tusschen de pooten
van de afgedwaalde te steken.

Wemeldinge is een oud plaatsje, vooruitgeschoven sluizenpost in de
wateren. Ik kwam er op een regenachtigen morgen aan, toen de hemel in
toorn zijn ganschen watervoorraad uitgestort had. Ik had Zoutelande
verlaten, om mij naar Westkapelle te begeven, waar de beroemde
westkappelsche zeedijk is, alleen te vergelijken bij die van dichtbij
den Helder. Die dijk, verscheiden duizenden meters lang, uit enorme
steenen en stevige palen bestaande, stelt een verbazende hoeveelheid
arbeid voor, wanneer men bedenkt, dat er noch steengroeven, noch wouden
in de buurt zijn. Een kolossale molen steekt er boven uit, niet ver van
de huizen met roode daken. Dat alles ziet er niet juist treffend uit,
doet ten minste niet bij den eersten aanblik verbaasd staan. De natuur
verzacht ook een beetje het bewijs der menschelijke energie, door elk
open plekje met gras te bekleeden; maar zij kan de zee niet beletten,
er onophoudelijk tegen aan te slaan, en als men zich keert naar de
vlakte, krijgt men een indruk van wat de zee heeft moeten afstaan.

Van Westkapelle naar Veere is niet ver, langs een goed onderhouden
weg. Te Veere is een oud kasteel in een hotel veranderd, onmiddellijk
aan het water gelegen. Een ronde toren is het eigenlijke hoofdblok van
het huis en dient als gezelschapszaal op de eerste verdieping. Hooge
vensters met diepe vensterbanken bieden een goede zitplaats, om den
strijd gade te slaan van de zonnestralen tegen de nevels en de wolken
en de schaduwen.

Bij het vallen van den avond vallen er subtiele, teedere kleuren in
de ruimte neer, en mooie lichteffecten worden verkregen; als dan de
avond en de nacht daar zijn, dansen overal op het water de lichtjes
en de vuren, teekenen zich eerst onduidelijk af, komen naderbij,
worden rooder, verdwijnen weer. Men hoort geen roeiriemen plassen,
noch geklepper van zeilen of liedjes van scheepsjongens, en 't is,
of het spookschepen zijn, die schatten van de diepten zoeken.

Te Veere nam ik den volgenden dag een vroege boot en voer naar
Zierikzee in een fijnen regen, wanhopig eentonig, een hollandschen
regen, die echter spoedig overging in dikke pijlvormige stralen,
met woeste vaart uit den hooge naar beneden schietend.

Ineengedoken in mijn regenmantel, onderging ik op stocijnsche manier
den storm, kijkend naar de wagens, die weggezakt waren in den weeken
grond der velden en nu en dan omhoog gehaald werden door de krachtige
inspanning van paardenheupen en pooten, met vet slib bezoedeld.

Maar ten slotte werd het toch weer helder; ik besteeg mijn fiets en
rolde door het land, overal rondkijkend en tegen den wind in trappend.

Ik legde vele kilometers af, reed over ophaalbruggen en dammen, langs
weiden en stukken bouwland, door dorpen, die alle aan elkaar gelijk
waren, en kwam te Wemeldinge op den tijd toen mijn maag luide riep
om nieuwen voorraad.

Wemeldinge heeft een hoofdstraat, beplant met geschoren olmen. Geleid
door een klein meisje, kwam ik al gauw in 't eenige logement der
plaats.

De waard, een groote, magere man met een profiel voor een medaille,
ontving mij vriendelijk. Hij waarschuwde zijn vrouw. Deze was niet bij
machte mij te begrijpen en riep haar dochters. Vijf jonge, frissche
deerntjes, lachend en rose en mooi, kwamen te voorschijn en stonden
met haar bloote armen en haar gevleugelde mutsen om mij heen. Ik
nam een blad papier en teekende een koe, toen een brood, een karn en
andere ingredinten, die als symbolen konden dienen van voedsel, dat
ik wenschte te verorberen. Zij vouwden de handen, lachten zeer luid
en spraken allen tegelijk onder druk bewegen van haar kleine handen,
om mij een massa geheimen te onthullen.

Ik haalde mijn woordenboek voor den dag. Dat wekte sensatie.

"Lief boerin ... aardige meisjes..."

Zij dansten van pret. De moeder liet ze op een rij staan, telde ze
met den voorvinger en klopte zichzelve op de borst.

"Ik heb ze het leven gegeven."

"Mijn compliment... Bekoorlijk... Ik heb zoo'n honger!"

Nu haastten zij zich. En bracht melk, een ander roastbeef, een
derde brood, een vierde kaas. De vijfde, die heel mooi was, een Martha
gelijk, bleef stil bij mij en hielp mij den weg vinden in het labyrinth
van mijn zinnetjes, die zulk duister Nederlandsch bleken te zijn.

Als een pacha ging ik aan de tafel zitten, bediend door de bekoorlijke
schoonen, wier rustige gratie en frischheid mij kalm stemden. Ik
verscheurde het taaie vleesch met mijn tanden en verslond met mijn
oogen de aardige tronies. Inderdaad ben ik nooit het voorwerp geweest
van zooveel attenties, zelfs niet in mijn vaderland, waar de jonge
meisjes toch heel lief zijn.

Toen ik verzadigd was, stak ik een sigaret aan en beloofde den jongen
dames waar te zeggen. Het was vermakelijk. Zij kwamen dicht bij mij
staan, terwijl ik met gefronste wenkbrauwen als een wijze sybille de
lijnen van haar handjes bestudeerde.

Daarop wilde ik weten, hoe oud ze waren. De handjes gingen omhoog en
als kleine kinderen, die op de vingertjes optellen, rekenden zij de
lentes na, die ze achter zich hadden.

Ik vroeg ze, mij een hollandsch liedje voor te zingen. Ze vatten
elkander om het middel, traden terug tot achter in de kamer en liepen
naar mij toe onder het zingen van een airtje, tra la la.... Toen
bukten ze allen en lachten, dat ze schaterden, om daarna haastig weg
te loopen. De vader, die tusschen zijn glazen en blaadjes kalm zijn
pijpje zat te rooken, lachte mee.

"Waar zijn zij heen?" vroeg ik in armzalig Duitsch.

"Naar boven," zei hij, wijzend naar 't plafond.

"Ik wou haar portret wel maken."

"Wacht een oogenblik."

Beneden aan de trap wezen vijf paar zwarte pantoffeltjes, met kralen
versierd, op een overhaaste vlucht. Hoewel ik er lust toe gevoelde,
durfde ik niet naar den harem opstijgen; dus vergenoegde ik mij met
wachten en een sigaartje te rooken.

Een kwartier ging aldus voorbij; daarna hoorde ik achter de deur een
onderdrukt geluid. Ik deed de deur open. De oudste drie stonden daar,
uitgedost in de beste spullen.

"En de beide anderen?"

Zij schudden het hoofd, wezen op haar kapsel, haalden de schouders op,
en ik meende uit de bewegingen te moeten opmaken, dat een aanleiding
van coquetten aard ze belette, naar beneden te komen.

"Maar wij zijn er, wij!" beduidden ze mij.

Ik volgde de meisjes in den tuin, waar een groen hek dien afsloot,
begroeid met klimrozen en loopend langs een wegje. De zon scheurde
bij tusschenpoozen de zware wolken, die in troepen langs den hemel
draafden, en verlichtte dan plotseling den violetten horizon met een
geelachtig schijnsel; maar de mutsjes met de ronde vleugels vulden
voor mij de gansche ruimte, zooals ze daar boven de levendige oogen een
geheimzinnige taal spraken. De jonge meisjes lachten en lieten de armen
hangen. Ik nam ze om beurten bij de pink en bracht ze naar het hekje,
waar ik tegen leunde, om haar in oud Fransch een fijn complimentje te
maken, waarvan zij enkel den klank begrepen; maar die was aangenaam,
want het was dit versje van Ronsard:



        "Donc, si vous me croyez, mignonnes,
        Tandis que votre ge fleuronne
        En sa plus fraiche nouveaut,
        Cueillez, cueillez votre jeunesse;
        Comme  cette fleur la vieillesse
        Fera ternir votre beaut."



Toen zette ik de drie gezichtjes door mijn voorbeeld in de gewenschte
plooi van ernstige vriendelijkheid, en ik ging wandelen, na even mijn
vinger gelegd te hebben op de gouden vlindertjes bij haar voorhoofd.

Ik liep langs het groote kanaal. De sluizen, die ieder oogenblik
opengaan, lieten langzame schepen door, die, met de zeilen geheschen,
zich verwijderden in de groene omgeving tegen den bewegelijken
achtergrond der lucht, waar zware wolken voortjoegen. Wagens waren
in de buurt bezig hoopen beetwortelen af te laden. Een oude man
hoedde de schapen op de hellingen van den wal. En overal stilte,
altijd stilte ... toen weer avond.

In de biljardkamer zie ik mij vervolgens, passend bij de omgeving,
gezeten in een hoek en sigaretten rookend met tegenover mij twee van
mijn jonge meisjes, die met droge tikjes aan het breien zijn. Wij
lachen nu en dan tegen elkander met in onze oogen werelden van
onuitgesproken dingen. Ik geniet van de witheid harer aardige huiven,
van de blankheid van haar teint, de lenigheid harer bloote armen,
mooi uitkomend tegen 't zwart fluweel der korte mouwtjes. En die stomme
flirt in het koffiehuis van het verloren dorp bij den rook van sigaren
en de schokjes van de biljardballen, bewogen door ernstige spelers,
bij de kolossale glazen bier en de verbleekte chromo's aan de muren,
wekt allerlei illusies in mijn geest.

Ik denk, dat ik een der boeren ben, en dat ik hier in huis aan de tafel
zit, om mijn hof te maken aan Reneetje Korstanje, dochter van Frans
Korstanje, waard te Wemeldinge. Reneetje is met de laatste kermis
zestien jaar geweest, en ik heb haar onder de anderen uitverkoren
om haar oogen, die een gouden glans bezitten. Ik heb haar te dansen
gevraagd, heb haar poffertjes laten eten, en aan haar pink heb ik een
zilveren ringetje laten glijden, uit de schatten van een marskramer
opgezocht. Den volgenden dag ben ik aan 't venster komen kloppen,
en ik heb mijn eerlijke bedoelingen aan den vader blootgelegd. De
oudere zusters zijn een beetje jaloersch geweest, want zij wachten met
ongeduld, dat voor haar de tijd van trouwen komt; maar 't zijn goede
kinderen, en ze hebben vriendelijk tegen mij gelachen, nauwkeurig
lettend op mijn manieren, om te zien hoe een minnaar doet.

Ik ben in het bezit van drie schuiten, en ik vaar van Goes en de andere
plaatsen van de eilanden naar Rotterdam. Ik passeer alle twee of drie
dagen Wemeldinge, en dat zal heel gemakkelijk zijn, want ik zal daar
dan een mooi huishoudstertje op mij vinden wachten. De bruiloft moet
binnen een maand gevierd worden; er zal een groot feest zijn; we zullen
violen hebben en lange linten, jenever, rundvleesch en zwart bier.

Reneetje zit nog altijd te breien. In Holland breit men niet, als
in Frankrijk, met de punten der vingers. De breisters hebben in de
ceintuur een scheede van gesneden hout; ze steken daar een naald in
en de wol wordt tot breisteken met een verbazingwekkende snelheid,
begeleid door een aanhoudend gegons.... Reneetje breit. Ik schets haar
portret. Zij houdt nu en dan even op, om haar vingers rust te geven,
en ziet met open blik zonder schroomvalligheid of brutaliteit naar
den franschen meneer, wiens baard veel indruk op haar maakt.

De oudste, een mooie blondine, komt binnen en wenkt mij, haar te
volgen. Zij brengt mij naar een zaal en wijst naar de tafel, waar
vijf porseleinen dekschalen op staan met melk en thee en boter.

Ik licht bevend die bedriegelijke deksels op en word bijna flauw
van de geparfumeerde geuren, die opstijgen van de voor mij bereide
gerechten. Maar ik moet dapper zijn, want elk oogenblik gaat de deur
half open, en een der vijf gezichtjes komt eens kijken naar wat ik
doe. Ik voel mij door blikken omringd.... Ze kijken stellig door
het sleutelgat, door het venster en glinsteren, om mij te dwingen,
die dingen daar in te slikken. Ik tracht mij te onderwerpen; maar ik
stik bijna en bepaal er mij toe den biefstuk te eten, het gekookte
vleesch en 't brood, die alle redelijk smaken.

De avond gaat om met langzamen tred. Een jonge onderwijzer, die
brokjes kent van Fransch, Engelsch en Duitsch, heeft met mij gepraat
over zijn toekomstplannen, zijn vrije gedachte en zijn familie. Om
elf uur gaan de klanten opstaan en vertrekken. Alleen een kleine,
ronde, oude man, wiens ambitie bij 't biljarten ik had opgemerkt,
bleef zitten en snorkte kalm.

De herbergier schudt hem heen en weer; verloren moeite. Men schreeuwt
hem iets in 't oor; hij beweegt niet. Men zet hem overeind; hij slaat
zijn zware oogleden op en is op 't punt te vallen. Hij wordt naar de
deur geloodst; maar hij doet drie schreden, om dan op den vloer te
vallen als een lijk. Zijn witte schedel met enkele gele lokken dreunt
dof op den grond, en hij blijft liggen, weer in slaap vallend....

De vijf boerinnetjes zijn doodverschrikt en vouwen de handen. De vader,
die het lastig vindt om de politie, gooit water in het bleeke gezicht
van den dronken man, terwijl de moeder mij geschiedenissen vertelt,
die zeker wel interessant zijn, maar waarvan ik geen woord begrijp.

Daarom neemt de waard een heldhaftig besluit; hij vat de beenen
van den oude, wijst mij het hoofd, en samen hijschen we hem op het
biljard, waar hij lekker blijft doorslapen, als lag hij in een veren
bed. Buiten valt de regen met zacht geluid. Daar wordt kort op de deur
geklopt. Een stem vraagt iets. Er wordt open gedaan. Een jonge boer
met het ronde hoedje en het vest met metalen knoopen, komt binnen. Het
oudste meisje keert zich blozend om. Hij kijkt naar zijn oom, want
hij is, schijnt het, een neef, die zoo twee van de drie avonden den
dronken man komt halen. Hij schudt meewarig het hoofd, neemt hem
op zijn schouders en gaat heen, begeleid door een straal van licht,
die uit het koffiehuis over den weg valt onder de ronde, geschoren
olmen naar de donkerheid, het water, de zee, het onbekende. En ieder
volgt in stilte de schreden van den jongen man, den schutsengel,
die den als dooden grijsaard meevoert.

Den volgenden morgen ging ik, na een ruime uitdeeling van handdrukken
aan het geheele huishouden en slechts eenige guldens armer, aan boord
van de eerste stoomboot en voer over de kronkelende kanalen tusschen
molens, weiden en dijken naar Noord-Holland.

Die stoomboot zag er verbazend huiselijk uit, en ik voelde, toen ik
mijn voet op het dek zette, dat ik er zou kunnen slapen, zooveel ik
wilde, zonder te worden gestoord. De kapitein, een droog en ernstig
heer, stelde mij voor om naar beneden te gaan, daar het boven koud en
winderig was. Zijn vrouw, een jonge blondine met blauwe oogen, die er
met haar krulletjes en een kleine rose boezelaar kinderlijk uitzag,
zat er en streelde een dikke poes. Zij stond op bij een teeken van haar
man en trad een klein keukentje binnen, achter een schot verborgen,
bracht ververschingen en terwijl de rook der sigaretten haar blauwe
oogen verzachtte, er iets wazigs aan bijzette, zooals de ziel is van
haar volk, liet ik mij zachtjes door het bootje schommelen.

Des avonds, toen de lichten werden aangestoken, verschenen dokken
en bruggen en vele masten van schepen; klokkenspel weerklonk, en
het stoombootje gleed als een vlindertje tusschen reuzengevaarten
Rotterdam binnen bij het slaperig geluid van de stoomfluit....


IV

De hollandsche visscher.--Volendam.--De wasch.--De kinderen.--De
eenden.--De haringvangst.--De zoon van den visscher.--Een zonderling
eiland: Marken.--Te midden van het water.--De huizen.--De zeden.--De
jonge meisjes.--Vooruitzichten.--De turf en de veenderijen.--Nationaal
product.--Hoogveen en laagveen.--Plaatselijke steenkool.


Als men visschers wil vinden, moet men ze niet in Zeeland zoeken,
ondanks de drukte in Vlissingen. Men neme liever de boot, doe Kortgene,
Stavenisse en Zierikzee aan en ga van Rotterdam over den Haag, Haarlem
en Amsterdam, kalmpjes naar Volendam aan het strand der Zuiderzee;
dat is de goede manier.

Volendam is langs den straatweg 16 K.M. van Amsterdam verwijderd. Het
is een punt van bijeenkomst van schilders uit alle landen, die zich
van het havenstadje hebben meester gemaakt, om er hun kunstproducten
aan te ontleenen.

De kleederdrachten, de menschen en de huizen zijn alle geschikt om
een kunstenaarsoog, dat het schilderachtige liefheeft, te boeien.

De huizen, die door elkander gebouwd zijn langs de pier, omgeven
meertjes en binnenzeen, kanalen, plassen en slooten, waar ze hun
steunpilaren in drijven. Door het vettige water, zwaar en vuil van
afval en allerlei ander ontuig, duikelen luidruchtige, onbeschaamde,
vraatzuchtige eenden; zij proesten en snuiven, zonder zich te storen
aan de schuiten en en bootjes, waarmee de kooplieden de nabijzijnde
dorpen bezoeken.

In de verte is de grijze, vlakke, nevelige horizon versierd met
molens, die hun vluggewiekte kruisen zwaaien, en met zilveren linten
van kanalen.

Op waschdagen wapperen linnengoed en veelkleurige bovenkleren overal
in den wind; de huizen zijn er mee gedrapeerd, reeksen palen behangt
men er mee, en alles bolt en klatert, alsof het vlaggen waren.

Volendam is eerst echt Volendam bij stormachtige lucht en op
waschdag. Ieder is buiten. In tegenstelling met gewone steden, waar
men alleen bij noodzaak uitgaat, wordt er hier met pleizier gewandeld,
zooals in alle visschersplaatsen. Er wordt namelijk door de mannen
tusschen twee vischperioden het gemakkelijke, kalme leven geleid van
een solied rentenier. Ze zitten te praten of loopen op klompen rond,
slap en lui, tot de klok van den afslag hen roept en, als het ware,
verzamelen blaast.

In zijn buitensporig wijde broek, zijn buis en das en bontmuts,
heeft de visscher uit Volendam iets aparts, dat niet te beschrijven
is. Hij heeft iets van een Rus, een Laplander en een Mongool, maar
toont zich Hollander door de duizenderlei kleine eigenaardigheden
van zijn houding en bewegingen en woorden.

Buiten de tijden, waarop hij op de Zuiderzee zwalkt, met zijn netten
werkend in de nog al kalme golven, is er weinig verscheidenheid in
zijn werk. Zijn langzaamheid is een gewoonte. Hij flaneert altijd;
dat zegt alles. Hij heeft niet, als menschen uit andere deelen van
het land, kleine zorgen voor zijn tuintje, voor den oogst of voor
zijn industrie, en de vrouwen kunnen het huiswerk best af.

Hij flaneert dus maar, of maakt zonder haast zijn aas voor 't visschen
in orde en zijn netten; hij hurkt in de zon neer met zijn vrienden,
om welbehagelijk te rooken, of zit met zijn massieve zwaarte op de
steenen pieren en zware houten beschoeiingen, die over de zee zijn
uitgebouwd door zijn gestorven voorvaderen.

Toch is hij bezig, maar in volslagen kalmte en geniet genoegelijk de
rust der stille uren.

Dit schetsje symboliseert hem: Op een achtergrond van vastgemeerde
booten en een golvende deining, waar de wolken zich in spiegelen,
laat Frans, liggend op den achtersteven van zijn boot, zich zachtjes
wiegelen als een kindje, wachtend, tot men hem manden brengt, om
de zilverkleurige visch in te bergen, die schittert in het ruim van
zijn schuit.... Met de handen in zijn zakken, de pijp in den mond,
rust hij daar uitstekend, en men weet niet vooruit, wanneer die zoete
kalmte een eind zal nemen.

Enkele zeelui echter--maar er zijn niet vele zoo--zijn wat actiever,
laten groenten en andere levensmiddelen uit de naburige stad komen
en schuiven kalmpjes hun handkarren voort, die er mee beladen zijn,
en waarmee ze bij de huizen venten.

Kinderen loopen in troepjes rond, met veel drukte van klompengeklots,
maar zonder roepen of schreeuwen, net als in Zeeland. De kleine
meisjes dragen het kanten mutsje van den eigenaardigen om het hoofd
sluitenden vorm, de jongetjes dragen, evenals hun vaders, een wijde
broek, kort buis en bonten muts.

Het is wezenlijk een genot voor de oogen. Als zij in een lange rij
dansen over de planken van de pier of vroolijk huppelen met de ronde,
tevreden gezichtjes, moet men op mijn woord wel belang in hen stellen,
en men krijgt grooten lust ze mee te nemen, die aapjes van Volendam, om
ze in zijn vaderland eens te laten zien als zeldzaamheden van waarde.

Er zijn verrukkelijke paartjes, precies gelijkend op personnages van
oude schilderijen, die ons doen glimlachen, omdat er zooveel goed
humeur en vroolijkheid van hen afstralen, zooveel gezondheid ook
en gemoedsrust.

De vrouwen zijn zeer druk in beweging in Volendam, drukker dan op
andere plaatsen. Zij leven veel minder binnenshuis opgesloten en
doen meer mee aan wat buitenshuis geschiedt. Sommigen wasschen het
huishoudwaschgoed in zeewater aan den rand der op een rij liggende
booten, anderen hangen de stukken uitgespreid op aan lijnen, die
daarvoor tusschen palen zijn gespannen, terwijl de wind om haar
henen blaast.

Onze fransche visschersvrouwen babbelen, met het breiwerk in de hand,
uren aaneen; maar deze vrouwen zijn alleen uit noodzaak buiten. Waar
zouden ze ook gaan praten? Aan alle kanten is slechts water, in
slooten en plassen en vaarten. Buiten de pier en de beide wegen van
Edam en Monnikendam, is alles water of moeras.

De eenden, die bij duizenden tusschen houten hekwerk gehouden worden,
kwaken onafgebroken. Het plaatselijke leven concentreert zich op de
pier, waar de mannen rondloopen bij het gebouw van den vischafslag.

Zijn dit dus de afstammelingen van de beroemde hollandsche zeelieden,
die oudtijds de wereld vervulden met den klank van hunne heldendaden,
toen zij den bezem voerden in den mast, om de zee schoon te vegen,
en die de vloten van Frankrijk en van Engeland konden weerstaan?

Mijn God, ja ze zijn het wel, en hun schijnbare apathie verbergt
waarschijnlijk een verrassende wilskracht. Is Nederland niet
door hen groot geworden; heeft het aan hen niet zijn bestaan te
danken?... Het vlakke, vochtige land had geen koren, geen steenen
en geen hout; zij hebben er die noodzakelijke dingen aan geschonken,
door er den buit der zee voor in te ruilen. Zij hebben van de zee en
haar rijkdommen geprofiteerd en profiteeren er nog van, als van een
grooten voorraadsschuur vol geconserveerde levensmiddelen.

Naar den aard der visschen, die in iedere haven het veelvuldigst
voorkomen, onderscheidt men verschillende takken van de vischvangst. De
haring is door den overvloed, die ervan gevangen wordt, en door zijn
goeden naam in het verleden, een echt nationaal product, zoo goed
als turf en tulpen.

De Hollanders onderscheiden drie soorten van haringen, den pekelharing
of gekaakte haring (kaken is het opensnijden van den haring met
een mes en de visschen dan in lagen leggen, in vaten, op zout);
den steurharing, die in den herfst op de kusten van Engeland wordt
gevischt, en den panharing of versche haring, dien men in de Zuiderzee
vangt en die tot voedsel dient van de armere klassen der bevolking.

Die laatste categorie is het interessantst, want zij is het groote
middel van bestaan voor de visschers van Volendam, van de andere
havens der kust en van de bewoners der eilanden Urk en Marken.

De haven van Vlissingen hield zich het eerst met de haringvangst
bezig in lang vervlogen tijden, zoo in de buurt van de 12_de_
eeuw. In 1360 vond een man uit Zeeland, genaamd Willem Beukelszoon,
de kunst uit van het haringkaken, dus het bereiden van den haring
en het bewaren in zout, waardoor hij een grooten stoot gaf aan de
plaatselijke industrie. Die ontdekking werd het uitgangspunt voor
de ontwikkeling van geheele streken en legde den grond tot dien
publieken rijkdom, waardoor de bataafsche natie in staat is gesteld,
de enorme belastingen te betalen, noodig geworden door het onderhoud
van de werken, tegen de zee opgericht.

Te Hoorn werd in 1416 het eerste groote net gemaakt, waarvan het nut,
gevoegd bij dat van het inzouten, tot in 't oneindige de opbrengst
der zee vermeerderde.

Die netten, echte reuzen in hun soort, wekken de gedachte aan de
milliarden visschen, eeuwen aan een door de naburige volken verslonden,
en men begrijpt, waardoor Holland ondanks de armoede van zijn grond
een rijk, soliede en welbehagelijk land heeft kunnen worden.

Er gebeurde bovenmatig veel voor de haringvangst. Geschiedschrijvers
zijn er niet over uitgepraat en geven wonderbaarlijke statistieken,
volgens welke men moet aannemen, dat het geheele volk zich bezighield
met het vangen, zouten en verkoopen van haring.... In verordeningen
werd het manna van de zee genoemd het Peru van de Bataafsche
Republiek.... Premies tot aanmoediging werden tot aanzienlijke bedragen
gegeven aan de Broederschap der Haringvisschers, tot schade van andere
takken van vischvangst. Geen ander dan een geboren Hollander mocht zich
met het kaken bezighouden.... In 't kort, de uitvoerigste reglementen
beschermden op allerlei manieren deze al te interessante industrie.

De nederlandsche haring trotseerde aldus langen tijd alle vreemde
concurrentie en deed meer voor de grootheid van het land dan de
beste kanonnen.

Toen volgden de oorlogen van het Rijk. Groot-Brittanni, altijd
zoekend naar de beste gelegenheden om handel te drijven, verleende
vrijstelling aan de geheele vischvangst, schafte het systeem der
premies af en bracht, door den haring voor minder geld te verkoopen,
aan den hollandschen handel groot nadeel toe.

In hun weelde als verstijfd, gingen de eigenaars der hollandsche
haringbuizen niet met hun tijd mee en zagen langzamerhand hun handel
verloopen. De zaken gingen zelfs zoozeer achteruit, dat de regeering
op haar beurt de premies moest afschaffen.

Tegenwoordig heeft de haringvangst geen nationale beteekenis meer,
en al is zij nog voor den visscher een bron van eerlijke inkomsten,
zij is niet meer een voorwerp van algemeene zorg.

De echte haringvisscher brengt zoo weinig mogelijk tijd aan den wal
door. De zee is voor hem alles: zijn bruid, zijn vrouw, zijn wieg. Met
zijn bijbel en zijn pijp zou hij naar het eind der wereld gaan en
weer nieuwe werelden ontdekken, als er nog nieuwe waren. Er werd te
Volendam met eerbied gesproken over een zekeren Hans Ouderke, tegen
wien men eens in een herberg gezegd had: "Je moest eens naar Indi
gaan." De brave man ging zijn logger de volgende dagen bemannen en
ging er heen.... Een anderen keer vond hij den weg naar Californi,
zonder andere hulp dan zijn kompas.

Als de visscher niet op den gewonen tijd thuis komt, beschouwt men hem
als verloren, en zijn vrouw mag, als er drie jaren zijn voorbij gegaan,
een nieuw huwelijk sluiten. Vroeger schreef de wet een tusschentijd
van tien jaren voor; maar toen de zedelijkheid daaronder leed, werd
de bepaling verzacht.

De zoon van den visscher wordt visscher. Van den leeftijd van vijftien
jaar af kent hij volkomen de kunst van 't ophalen der volle netten,
het omgaan met de zeilen en de beheersching van het roer.

Zeer onafhankelijk, zeer godsdienstig en zeer aan oude gewoonten
gehecht, volgt hij in alles 't voorbeeld van zijn vader, die
zelf dat van den zijnen volgde. Op zee drinkt hij nooit; aan land
drinkt hij betrekkelijk weinig, behalve op de kermisdagen, die echte
bacchanalin met zich brengen. Op die dagen nemen de herbergiers de
meubels weg uit hun zalen en laten er enkel een tafel staan en stoelen
en banken. Nacht en dag verzonken in een onrustbarende dommeligheid,
met tusschenpoozende oogenblikken van groote bewegelijkheid, waarin
hij hartstochtelijk aan het dansen deelneemt, gaat de visscher zich
in zulke tijden te buiten aan sterken drank en slaap.

Hij trouwt al vroeg.

De kustvischvangst omvat de vangst van versche visch van allerlei
soort en die van den haring, bestemd om te worden gerookt.

Een gewone boot voor die vangst kost drie tot vijf duizend gulden. Zij
behoort f aan den visscher zelven f aan den reeder. De bemanning
krijgt een groot net met touwen; het overige moet zij zich zelve
aanschaffen en zij moet in haar eigen onderhoud voorzien. De
onderhouds- en reparatiekosten van het schip worden gelijk verdeeld;
wat boven de klamp is, dat is buiten het water, komt voor rekening
van de bemanning en wat onder water is, voor dat van den eigenaar of
reeder, op grond van het beginsel, dat het eerste door veronachtzaming
kan lijden, en dat het laatste geleidelijk slijt. Voor de zeilen
zorgt de eigenaar.

De vangst van versche visch maakt slechts vrij korte tochten
noodig. Zoodra ze terug zijn, ontschepen de mannen hun buit en
verkoopen dien dadelijk op het strand aan de kooplieden uit de buurt of
brengen de vangst naar den vischafslag, als er zulk eene inrichting
bestaat. De visch wordt dan naar de naburige steden vervoerd in
wagens met sterke honden er voor, die met merkwaardigen ijver hun
werk doen. Die ambitie heeft ons wel eens een glimlach ontlokt over
de sentimentaliteit van onze landgenooten, die een verbod hebben
uitgevaardigd tegen het gebruik van trekhonden.

De vangst van versche visch houdt op met het einde van den zomer en
maakt plaats voor de haringvangst tot in December.

Daarna is de tijd der gedwongen werkstaking daar, en daar de visscher
zelden zich eenigen welstand heeft kunnen verwerven, ontstaat er groote
armoede en ellende, die door de autoriteiten moet worden weggenomen
door geregelde ondersteuning.

De Zuiderzee vormt, zooals bekend is, een golf van de Noordzee. De
massa harer wateren beslaat een ruimte van 54 vierkante mijlen en
bespoelt de provincies Friesland, Gelderland, Utrecht en Noord-Holland,
waarvan zij indertijd bij hooge vloeden groote stukken heeft
afgeslagen, daarbij op alle kusten dood en vernieling brengend.

In de open zee vormen de eilanden Urk en Marken nog overblijfselen
van die verzwolgen landen.

Marken, het grootste, ligt tegenover de stad Monnikendam. In n uur
kan men met goeden wind er per boot worden heengebracht.

Dat uur legt vele eeuwen tusschen de bewoners van het eiland en die
van het vasteland. Het verschil in kleeding en zeden en gewoonten
is zelfs zoo groot bij dien verbazend kleinen afstand, dat men
aan verschillende afkomst heeft gedacht. Sommigen beweren, dat de
eilandbewoners afstammelingen zijn van de Marsotten, van wie Plinius
en Tacitus melding maken. Zij bezetten een stuk gronds dicht bij het
meer Flevo. Een overstrooming scheidde dit deel van het vasteland op
't eind van de 13_de_ eeuw.

De ruimte er tusschen was eerst slechts smal en een gewone houten
brug onderhield de gemeenschap; maar langzamerhand vrat de zee meer
land weg, meer velden en polders, en de boeren moesten, om te kunnen
leven, visschers worden....

Ik nam de boot naar dat eiland tegen vijf uur 's avonds en voer weg
van de aanlegplaats te Monnikendam. Twee jonge knapen met korte, wijde
broeken en buizen van een grove stof en ronde hoeden, zijn aan het
laden van allerlei eetwaren; zij hebben met hun vader een geregelden
dienst tusschen het eiland en den vasten wal in 't leven geroepen.

Met een voor Hollanders ongewone vlugheid voerden zij de verschillende
handgrepen uit voor 't zeilklaar maken van de boot, heschen het groote,
bruine zeil, maakten de touwen in orde, tot eindelijk de schuit bewoog
en zich naar de open zee wendde.

De oudste der matrozen had de boom in de hand genomen en stond
te duwen, kijkend naar de stad, die achteruit week in het rossige
schijnsel.

Er hing een nevel over 't water, voorbode van de vallende schemering;
het klokkenspel in den toren gaf in heldere klanken den tijd aan;
daartusschen hoorde ik 't geklots der golven, door ons scheepje
uiteen gedreven, en dit oogenblik had iets geheimzinnig ernstigs,
alsof wij naar een onbekend land gingen.

Langzamerhand hadden wij niet anders om ons heen dan water en
nevels. Een der jongens floot een wijsje. De touwen van den mast
knarsten onder den druk van den koelen wind; toen doken schaduwen op,
eerst onduidelijk, toen helderder. Het waren puntdaken van huizen en
masten, uit zee oprijzend; zonder duinen of rotsen lag Marken daar,
als een zeer groot vlot op het water, half ondergedoken.

De boot stopte aan de kade en werd vastgelegd. Ik sprong aan land. Er
waren daar twee of drie mannen, gekleed als mijn varensgasten, en
jonge meisjes met lange losse haartressen leunden tegen een brug. Een
groote stilte heerschte er in het haventje, dat daar lag te midden der
bewegelijke zee. Ik moet er wel een zonderlingen indruk hebben gemaakt,
zoo weinig was ik in harmonie met die houten huizen, op palen gebouwd,
en die zonderlinge menschen.

De meisjes keken mij aan. In de avondschemering hadden haar oogen
met de lange wimpers tusschen de hangende krullen langs hun hoofd
diepten als van den oceaan, en toen zij ernstig het hoofd bogen bij
mijn voorbijgaan, kon ik denken, dat ik zeegodinnen vr mij had,
jonkvrouwen, zoo dikwijls door dichters bezongen. Ik haastte mij,
mijn weinige bagage te deponeeren in het eenige logement, en ik
stapte de straatjes binnen, met steenen geplaveid, die naar de zeven
buurtschappen voeren, kunstmatige hoogten van leem en veen, waar de
huizen der bewoners staan.

De zee had, zooals dikwijls gebeurt, den vorigen dag de magere
weiden overstroomd, die om de terpen tusschen de lage dijken lagen,
zoodat ik aan beide zijden door water was omringd, en de huizen
in den echten zin des woords uit het water opstaken zonder eenigen
horizon van land. Hoog gras groeide op sommige plaatsen en herbergde
kakelende eenden, terwijl de halmen ritselden in den wind en de
intense somberheid verhoogden van dat waterland.

Zoo liep ik een uurtje rond, tot het volkomen donker was, en nam
die duizenderlei gevoelens in mij op, die het onmogelijk is om weer
te geven, gevormd door 't onverwachte, 't onbekende, plotselinge
kleurnuances, en altijd groetten mij de vrouwen met de diepe oogen,
die zonder woorden spraken. Toen keerde ik naar de herberg terug,
waar een vroolijke dienstmeid, forsch en in kleurige kleedij, mij
een stevig maal voorzette.

Den volgenden dag had het water zich teruggetrokken, en ik kon het
eiland bekijken, want het is, in 't groot beschouwd, n eiland.

De haven is het meest vaste deel van Marken. Overal door steen en
hout stevig omringd, liggen er een honderdtal visschersschuiten veilig
voor anker.

De huizen, geteerd en met pannen daken, zijn uit planken opgetrokken en
staan op een veenbedding. De woningen van binnen te bekijken, behoort
tot de werkzaamheden der vreemdelingen. De grootste zindelijkheid
heerscht er tot in alle hoekjes; glimmen doet het vaatwerk aan de
wanden, en alle koper straalt u tegen als een spiegel. Het is de glorie
van ieder huisgezin, en ik zag telkens jonge meisjes mij met den vinger
wenken, dat ik de mooie properheid van de woningen zou bewonderen. Die
teekens en de glimlachjes, die er bij behoorden, waren, helaas,
slechts vermomde verzoeken om geld, en ik moest met mijn bezoeken
zuinig zijn, uit vrees van anders al mijn geld er achter te laten.

De meeste huizen hebben slechts n vertrek, waar geslapen, gekookt
en gewerkt wordt; vele hebben geen plafond en staan rechtstreeks met
den zolder in gemeenschap. Ook zijn er, die geen schoorsteen hebben;
tegenover het grootste venster ligt een steenen of ijzeren plaat met
een rij steenen er omheen; een opening in het dak laat den rook door,
die zich over den zolder verspreidt, waar de netten drogen en de
voorraad wordt bewaard.

Borden en schotels van oud porselein zijn er in de kleinste woning
te vinden. Die smaak voor porselein en kristal, voor gestreepte
bedgordijnen en kleurige dekens is een eigenaardige trek in het
hollandsch karakter en komt vooral sterk uit op Marken. Hij wijst op
de bekrompenheid van het bestaan der bewoners.

De bodem van het eiland is vrij vruchtbare kleigrond. Hij brengt hooi
en riet voort, waarvan door de bewoners groote hoeveelheden worden
uitgevoerd. Het hooi wordt verkocht en dient voor een deel voor de
voeding der weinige koeien van het eiland.

Daar de putten van Marken slechts zoutig water leveren, zijn de
bewoners genoodzaakt, regenwater te gebruiken, om hun beesten mee te
drenken en hun eigen voedsel te bereiden.

Ze zijn zeer onontwikkeld in maatschappelijke aangelegenheden. Zij
leven van vischvangst en brengen het overige van den tijd door
met onbeduidende werkjes, die alleen voor henzelven van belang
zijn. Ze hebben in 't geheel geen handel; aardappels, groenten,
kruidenierswaren, turf, drank, alles wordt hun uit Monnikendam gebracht
of uit Hoorn of Amsterdam.

De bewoners van Marken trouwen altijd onder elkander. Er wordt verteld,
dat ze vroeger bij gebrek aan vrouwen eens hun booten bewapenden en
een razzia hielden, om vrouwen uit Edam te halen, maar die geschiedenis
is niet te bewijzen.

Gewoonlijk trouwt men tusschen het vier-en-twintigste en het
acht-en-twintigste jaar, en er wordt gelet op overeenkomst in leeftijd
en neiging.

Over 't algemeen zijn de meisjes lomp en ruw; maar er zijn wel
aankomende deerntjes, die iets expressiefs hebben en door hun half
wilde gratie de leelijkheid der anderen doen vergeten. Timide zijn
ze niet en lachen doen ze graag.

Op mijn wandelingen kwamen ze in hun bonte kleeding dikwijls om
mij heen staan, ze drongen mij tegen een muur en hielden mij met
uitgestrekte armen tegen, of stelden mij, terwijl haar krullen tegen
mij aanwoeien, allerlei vragen, die ik niet verstond, maar die zeker
grappig waren, want ze lieten haar tanden zien en lachten vroolijk. Ik
gaf in het Engelsch antwoord of in 't Duitsch en 't Arabisch en kneep
haar in de armen. Toen ik even de kin van een meisje in de hand had
genomen, begonnen twee anderen verbaasd te gillen en riepen een paar
huismoeders te hulp. Toen omhelsde ik het kind bij verrassing. Nooit
heb ik zulk een gekrijsch gehoord. Zij stonden om mij heen, zwaaiden
met de bloote armen, de lange lokken in den wind, de japonnen wijd
uitslaande, den hemel tot getuige roepend bij mijn onbeschaamdheid. De
omhelsde vooral zette woedende oogen op; deze brutaliteit riep om een
voorbeeldige straf voor den misdadiger, een bliksemslag bij voorbeeld
of een verzinking in den grond.

Daarom klom ik op een vat en sprak ze aldus aan:

"Vrouwen van Marken," riep ik, "ik ben hier gekomen, om uwe
gastvrijheid in te roepen. Mijn hoedanigheid van vreemdeling geeft
mij dus het recht, te proeven van uwe vruchten, ook van de perziken
uwer wangen.... Ik verzoek stilte en beloof, u presentjes te zullen
geven ... boem, boem, boem!"

"Boem, boem!" herhaalden de geestdriftige jonge meisjes, zonder dat
ze een woord verstaan hadden.

Daar zij mij nog altijd tegenhielden, begreep ik wel, dat ze tolgeld
wenschten te ontvangen; maar ik zwaaide mijn camera op de manier van
een tomahawk, uitte een gil en sprong op den dijk. Daar richtte ik
het instrument, en de menigte zette het op een loopen als haringen,
door de haringbuizen achtervolgd, behalve de drie jonge kinderen,
die bleven en die in stijve houdingen door mij zouden gekiekt worden.

"Ik zie, jonge meisjes," ging ik voort, genietend van de heerlijkheid,
te kunnen praten zonder te worden verstaan, "ik zie, dat mijn
edelmoedig aanbod welwillend is ontvangen. Sla dus uw oogen op mij
en gun mij glimlachjes."

Toen ik met centen geschud had in mijn zak, spitsten zij de ooren,
gingen met mij in den zonneschijn en ik legde voor de toekomst haar
vreemde trekken vast, waarna ik haar een handvol centen gaf en zij
verheugd verdwenen.

Soms zijn de kleine meisjes heel aardig. Als ze naar school gaan
met jongens, de kleurige pakjes boven de polders vertoonend als in
een groen dcor, arm in arm voortstappend, krijgt men er pleizier
in, zooals voor een schilderij vol frissche kleuren en prettige
gezichten. Sommigen dragen in plaats van rokjes de wijde broeken van
de broertjes, wat ze er kluchtig doet uitzien.

Op bruiloften, verlovingsfeesten en kermissen ziet men een
kleurenrijkdom als nergens elders. Alle tinten uit een kleurendoos
voor waterverfteekening zijn uitgestrooid over de jurken, de mutsen
en de boezelaars, en men knipt met de oogen, zonder te weten waar
men ze rust zal geven.

Maar die dagen zijn uitzonderingen. Gewoonlijk is het op het eiland
nog al somber, en het leven vloeit er voort bij peuterigen arbeid,
die altijd eender is.

De mannen visschen of halen de ponten of schuiten binnen met turf
en proviand, boeten de netten, schilderen hun muren over, terwijl de
vrouwen het huis schoonhouden, linnen wasschen, met de kleine kinderen
buiten wandelen of aan het lossen van de booten helpen.

Langs de vaarten ziet men ze soms rustig voortglijden, in booten
gezeten, waar ze dan even uitstappen, om telkens de ophaalbruggen
op te lichten, die bij de overgangen en kruisingen van wegen over
't water liggen.

In den winter staat de helft van het eiland onder water, en de
menschen gaan in booten naar elkander toe, bezoeken op die manier de
kerk en de school, en worden per boot begraven. Het kerkhof ligt op
de hoogste werf of terp van het eiland.

Men vraagt zich wel eens af, waarom toch de dijken zoo laag zijn; als
men ze ophoogde, zou men die lastige overstroomingen vermijden. Maar
kenners beweren, dat de grond, die niet heel vast is, geen zwaardere
belasting dragen kan.

De gewoonte is een tweede natuur. Als men van de Markers ging
vertellen, dat zij er slecht aan toe zijn, zou dat verloren moeite
zijn. Zij voelen er zich op hun gemak; zooveel te beter.

Bij den toeloop van toeristen, die in den laatsten tijd al grooter en
grooter wordt, vooral in den zomer, beginnen zij zich als merkwaardige
curiositeiten te beschouwen en droomen misschien den uitlokkenden
droom van geheel onderhouden en verzorgd te worden door de penningen
der vreemdelingen. Zij verkoopen hun kleren al, en het zal wel niet
lang duren, of ze verruilen ze tegen hoeden en moderne broeken....

Het eiland Marken zal zijn bescheiden plaatsje wel blijven innemen
tegenover het vasteland; zijn huizen, in het zoute water staande;
zijn steenen straatjes in den mist; zijn hoogste punt, waar de dooden
rusten, en zijn vier gehoornde beesten, wadend door den sponsachtigen
grond ... tenzij op een dag, gelijk aan dien, waarop de Zuiderzee
ontstond, het ook op zijn beurt worde weggevaagd, verzwolgen in den
storm en neergelegd op den bodem van de Zuiderzee.

Zoo'n einde zou voor zulk een plekje uit het verleden, dat onder de
modernen is verzeild geraakt, een natuurlijk en passend slot zijn,
en men zou dan mogelijk een verklaring hebben van die zonderlinge
aantrekkingskracht, die de oogen der meisjes van Marken bezitten
des avonds, wanneer zij het hoofd buigen en den vinger waarschuwend
opheffen, als spoken uit een wereld, die reeds afgedaan heeft,
opgestaan uit hun graven, om u een groet te brengen....

De Hollander heeft ongetwijfeld minder verbeeldingskracht dan de
Franschman. Hij is realist in den echten zin des woords en rekent in
plaats van te droomen. Zoo denkt hij er niet aan, dat met de turf die
hij dagelijks uit het water haalt, hij ook de overblijfselen van zijn
bloedverwanten en vrienden opneemt, om aan hen de warmte te ontleenen,
die ze bij hun leven hadden. Hij vindt de turf een geschikte brandstof,
gebruikt die en heeft daar gelijk in, zooals hij ook, in tegenstelling
met onze soms onverstandige gevoeligheid, zijn honden gebruikt voor
het trekken van geriefelijke karretjes.

Van Holland spreken zonder het over de turf te hebben, zou zijn een
der eigenaardigste karaktertrekken van het land over 't hoofd te zien.

Uit geologisch oogpunt is de bodem zeer arm; hij bevat geen steenkool,
noch ijzer, noch andere mineralen. Bosschen zijn er weinig en men
moest, om dijken en huizen te bouwen, zijn toevlucht nemen tot
pijnboomen uit Noorwegen en tot duitsche boomen, langs den Rijn
aangevoerd.

Men kon er niet aan denken, dat hout te gebruiken als brandstof; dat
zou te schadelijk zijn geweest. Daarom ging men het veen gebruiken,
na er turf van te hebben gemaakt.

Veen is een soort van zachte, zwartachtige aarde, die men aantreft
onder lagen leem of zand, 't zij bij den aanleg van kanalen, 't zij
bij het bouwen der huizen. Op enkele plaatsen blijkt de aanwezigheid
van veen door den onvasten toestand van den grond. De veerkrachtige
bodem, opgezwollen en verzadigd van water, buigt door onder den voet
en herstelt zich dadelijk weer. Dan zeggen de menschen: "Hier zit
veen in den grond."

De opgraving van het veen is een kunst, die al sinds overoude tijden
bekend is. Plinius en Tacitus gewagen ervan, de eene met een zucht,
omdat een volk genoodzaakt is zijn eigen land te verbranden, de tweede
met bewondering voor zooveel snuggerheid.

De veengraverij verschaft werk aan duizenden individuen. Het is
een brandstof van niet heel veel beteekenis, donker en lastig in 't
gebruik; daarbij verkoolt ze meer, dan dat ze vlamt en brengt zwaren
rook voort.

Veen wordt zoo wat overal in Holland aangetroffen. Men behoeft maar
een weinig te graven om het te ontdekken.

Als de eigenaar van een stuk grond besloten heeft, zijn akker tot een
veld van exploitatie te maken, laat hij parallelle insnijdingen maken
om de aarde te ontlasten van het water, waarmee zij gedrenkt is. Die
slooten, die eerst ondiep zijn, worden dieper en dieper gemaakt,
tot het water er uit is.

Er zijn zes  acht jaren noodig om het land droog te leggen en het
water met slooten en sluizen te leiden naar het toekomstige kanaal.

Daarna gaat men het veen te lijf met daarvoor bestemde schoppen,
snijdt het in brokken, die men als steenen laat drogen en die op
elkaar gestapeld worden en gedroogd in den wind.

Niet zelden vindt men in de veenlagen, diep in den grond, boomen,
die goed geconserveerd zijn, overblijfselen van oude bosschen, door
overstroomingen of hooge vloeden verwoest. Ze worden gebruikt voor
wat ze waard zijn, meestal als brandstof, soms ook voor fundeeringen.

De lagen aarde, die den veengrond bedekten, worden op het land
teruggebracht, vlak uitgespreid en leveren den bebouwbaren grond,
waarop aardappelen en koren zullen worden verbouwd.

Zoo gaat het bij de hooge venen. In de lage venen gaat alles gauwer,
en men behoeft zich daar geen moeite te geven, het land eerst te
draineeren. Men tast direct den grond aan. Als gras en leem eerst
zijn verwijderd, dus als twee of drie voet van den bouwgrond zijn
afgegraven, legt men de veenlaag bloot, die doortrokken is met water,
een soort van vette brij. De arbeiders, met groote laarzen aan,
scheppen dan de toekomstige brandstof zoo maar op en plonsen die in
groote schuiten. Het veen ziet er dan bruin uit, en men herkent er nog
wortels in en verrotte takken. Het wordt in groote bakken geschept,
gemengd en bewerkt, gestampt met zware stampers of getreden met groote
platte trappers, ontdaan van steenen en wortels, gekneed als deeg
en te drogen uitgespreid op riet. Als het begint droog te worden,
snijdt men het in brokken en stapelt de turf in hoopen op elkar.

Drie maanden zijn ongeveer noodig, om de brandstof volkomen droog te
maken. Dan wordt de turf in schuiten geladen en naar de verschillende
markten gebracht, waar zij koopers vindt.

De hoedanigheid der turf is zeer uiteenloopend. Er is turf met meer of
minder houtige bestanddeelen, meer of minder poreus van aard, zwaarder
of lichter op 't gewicht. De huisvrouwen herkennen snel aan de kleur
en den vorm de eigenaardige hoedanigheden van de brandstof. Er is een
soort, die voor de keuken dient, een andere voor de open haarden,
een derde voor fabrieken. In 't algemeen geeft men de voorkeur aan
de turf uit de lage venen boven die uit de hooge venen. De bakkers
bakken hun brood met turven, die niet zeer dicht zijn en daardoor
spoedig vlam vatten. De turf dient ook nog als voedsel voor kalkovens,
pannebakkerijen en wordt in bierbrouwerijen enz. gebruikt.

Bij steenkool vergeleken, geeft de turf wel de helft minder warmte;
maar alles in aanmerking genomen, is zij als brandstof toch veel
goedkooper.

Het grootste bezwaar is het volume, dat lastig en bezwarend wordt. Turf
neemt drie- of viermaal zooveel ruimte in als steenkool. Men heeft
geprobeerd de turf samen te persen, en men is daarin goed geslaagd,
maar naar beweerd wordt, is de moeite te groot voor de belooning;
de kosten overtroffen de waarde der koopwaar, en de eigenschappen
van die laatste verbeterden er niet genoeg door.

Voor stoombooten en voor de grootindustrie moest men wel weer tot de
steenkool terugkeeren.

Hoe het ook zij, turf is eeuwen lang bijna de eenige brandstof der
bewoners geweest. De kool van turf heeft aanleiding gegeven tot de
zuiver nationale gewoonte der warme stoven. In den winter hebben de
hollandsche dames in haar eigen vertrekken, zoowel als in de kerk,
onder haar rokken een stoof met een kool er in, wat, naar men zegt,
het teint van de dames een gele tint geeft. Zij, die deze opvatting
koesteren, zijn ernstige menschen, kalm gezeten in hun groote stoelen
van riet of mandwerk, met een groote pijp in den mond en een glas
bier vr zich, hoog schuimend in het glas. Zij zouden toch iets
dergelijks niet beweren, als ze er niet volkomen zeker van waren
door allerlei gezegden en opmerkingen, zorgvuldig bijeenverzameld
uit intieme gesprekken, en men zou verkeerd doen, zich bij zulk een
oordeel sceptisch te toonen. De rook van de turf maakt het teint der
hollandsche dames geel, zooals de rook van droog hout aan hammen die
bruine kleur geeft, die ze zoo lekker doet smaken. Ze worden er dus
geen haar minder om; integendeel.

De asch dient bovendien tot mest; met het roet reinigt men ijzerwaren
en tin; de rook dient tot conserveering van gezouten vleesch en haring,
tot bereiding van beenzwart, inkt en vernis; kortom, het veen is een
der grondslagen van de hollandsche huishouding.

Inderdaad maakt men er de fondamenten van het huis van. Daartoe
brengt men de steenen en het metselwerk aan op een onderlaag van
stukken brandbare aarde, in den vorm van een pyramide opgestapeld. Die
veenlaag zwelt op onder het water en vormt zoo een onwankelbare basis,
die door het vocht niet meer wordt aangetast. Na eeuwen, als het huis
van ouderdom bezweken is, vindt men de veenachtige substantie zoo goed
bewaard als op den eersten dag en nog geschikt, om verstookt te worden.

Uit een en ander volgt, dat veen het product is van de langzame
vertering van plantaardige stoffen, van riet en biezen en mossen,
die, op elkander gestapeld, vergingen en door de vochtigheid ontbonden
werden.

De provincies, die het meest te danken hebben aan het bestaan van
veengrond, zijn Friesland, Groningen, Drenthe en Overijsel.

Als de veenlaag gexploiteerd is, blijft er ongelukkig veel water
over, dat moet worden verwijderd met behulp van veel molens en veel
slooten. Daar het onderhoud van die molens nog al kosten meebrengt,
moet men zich er niet over verbazen, dat in Holland de prijzen der
levensmiddelen tamelijk hoog zijn....

Desondanks heeft een oud dichter, Vondel genaamd, in geestdrift
over het succes, met de turf verkregen, aan het hoofd van een zijner
werken dit hoog welsprekend woord geplaatst: "Gelukkig het land, waar
't kind zijn mor verbrandt!"

Besluit.--Dit alles toont duidelijk aan, dat er volstrekt niet in
Holland alleen water is, zooals men zou kunnen gelooven, als men
zich slechts onderrichten liet door fantastische berichten. Holland,
door duizenden kanalen doorsneden, omgeven door eilanden, golven,
inhammen, heeft inderdaad wel zeer veel water, maar dit oppermachtige
water, dat alles kan overweldigen, dat rijst en daalt en tot zoo
ver het oog reikt, zijn net van bewegelijke wegen uitspreidt, waar
onophoudelijk booten, schuiten, ponten, stoombooten en eenden varen,
dat water is de onuitputtelijke bron van den bataafschen rijkdom,
en men zou wel een prachtig, kostelijk woord willen vinden, in een
lijst van metalen lettergrepen, om dat kleurloos, vloeibaar ding mee
aan te duiden, dat alle tinten van de wolken overneemt, dat de molens
en de polders weerspiegelt en dat van Holland maakt het waterrijkste
van de waterrijke en 't merkwaardigste van alle vlakke landen.






NOOTEN

[1] Wij hebben den franschen schrijver in zijn reisverhaal op den
voet gevolgd, al kwam soms de lust boven, hem eens even in de rede
te vallen, waar hij in zijn gevolgtrekkingen te ver ging en, naar
het weinige dat hij zag, oordeelde ook over het vele, dat hij niet
zag. Het zal onzen lezers zeker evenzoo gaan, maar om der curiositeits
wille zal het oordeel van den Franschman hen interesseeren en zijn
aardige verteltrant zal hen boeien.

Vert.





End of the Project Gutenberg EBook of Door Holland met pen en camera
by Lud. Georges Hamn

*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DOOR HOLLAND MET PEN EN CAMERA ***

***** This file should be named 13317-8.txt or 13317-8.zip *****
This and all associated files of various formats will be found in:
        http://www.gutenberg.net/1/3/3/1/13317/

Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed Proofreaders Team

Updated editions will replace the previous one--the old editions
will be renamed.

Creating the works from public domain print editions means that no
one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
(and you!) can copy and distribute it in the United States without
permission and without paying copyright royalties.  Special rules,
set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark.  Project
Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
charge for the eBooks, unless you receive specific permission.  If you
do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
rules is very easy.  You may use this eBook for nearly any purpose
such as creation of derivative works, reports, performances and
research.  They may be modified and printed and given away--you may do
practically ANYTHING with public domain eBooks.  Redistribution is
subject to the trademark license, especially commercial
redistribution.



*** START: FULL LICENSE ***

THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK

To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
distribution of electronic works, by using or distributing this work
(or any other work associated in any way with the phrase "Project
Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
Gutenberg-tm License (available with this file or online at
http://gutenberg.net/license).


Section 1.  General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
electronic works

1.A.  By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
and accept all the terms of this license and intellectual property
(trademark/copyright) agreement.  If you do not agree to abide by all
the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.

1.B.  "Project Gutenberg" is a registered trademark.  It may only be
used on or associated in any way with an electronic work by people who
agree to be bound by the terms of this agreement.  There are a few
things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
even without complying with the full terms of this agreement.  See
paragraph 1.C below.  There are a lot of things you can do with Project
Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
works.  See paragraph 1.E below.

1.C.  The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
Gutenberg-tm electronic works.  Nearly all the individual works in the
collection are in the public domain in the United States.  If an
individual work is in the public domain in the United States and you are
located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
are removed.  Of course, we hope that you will support the Project
Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
the work.  You can easily comply with the terms of this agreement by
keeping this work in the same format with its attached full Project
Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.

1.D.  The copyright laws of the place where you are located also govern
what you can do with this work.  Copyright laws in most countries are in
a constant state of change.  If you are outside the United States, check
the laws of your country in addition to the terms of this agreement
before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
creating derivative works based on this work or any other Project
Gutenberg-tm work.  The Foundation makes no representations concerning
the copyright status of any work in any country outside the United
States.

1.E.  Unless you have removed all references to Project Gutenberg:

1.E.1.  The following sentence, with active links to, or other immediate
access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
copied or distributed:

This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
almost no restrictions whatsoever.  You may copy it, give it away or
re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
with this eBook or online at www.gutenberg.net

1.E.2.  If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
and distributed to anyone in the United States without paying any fees
or charges.  If you are redistributing or providing access to a work
with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
1.E.9.

1.E.3.  If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
with the permission of the copyright holder, your use and distribution
must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
terms imposed by the copyright holder.  Additional terms will be linked
to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
permission of the copyright holder found at the beginning of this work.

1.E.4.  Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
License terms from this work, or any files containing a part of this
work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.

1.E.5.  Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
electronic work, or any part of this electronic work, without
prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
active links or immediate access to the full terms of the Project
Gutenberg-tm License.

1.E.6.  You may convert to and distribute this work in any binary,
compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
word processing or hypertext form.  However, if you provide access to or
distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.net),
you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
form.  Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
License as specified in paragraph 1.E.1.

1.E.7.  Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.

1.E.8.  You may charge a reasonable fee for copies of or providing
access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
that

- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
     the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
     you already use to calculate your applicable taxes.  The fee is
     owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
     has agreed to donate royalties under this paragraph to the
     Project Gutenberg Literary Archive Foundation.  Royalty payments
     must be paid within 60 days following each date on which you
     prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
     returns.  Royalty payments should be clearly marked as such and
     sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
     address specified in Section 4, "Information about donations to
     the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."

- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
     you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
     does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
     License.  You must require such a user to return or
     destroy all copies of the works possessed in a physical medium
     and discontinue all use of and all access to other copies of
     Project Gutenberg-tm works.

- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
     money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
     electronic work is discovered and reported to you within 90 days
     of receipt of the work.

- You comply with all other terms of this agreement for free
     distribution of Project Gutenberg-tm works.

1.E.9.  If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
electronic work or group of works on different terms than are set
forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark.  Contact the
Foundation as set forth in Section 3 below.

1.F.

1.F.1.  Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
collection.  Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
works, and the medium on which they may be stored, may contain
"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
your equipment.

1.F.2.  LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
liability to you for damages, costs and expenses, including legal
fees.  YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
PROVIDED IN PARAGRAPH F3.  YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
DAMAGE.

1.F.3.  LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
written explanation to the person you received the work from.  If you
received the work on a physical medium, you must return the medium with
your written explanation.  The person or entity that provided you with
the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
refund.  If you received the work electronically, the person or entity
providing it to you may choose to give you a second opportunity to
receive the work electronically in lieu of a refund.  If the second copy
is also defective, you may demand a refund in writing without further
opportunities to fix the problem.

1.F.4.  Except for the limited right of replacement or refund set forth
in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.

1.F.5.  Some states do not allow disclaimers of certain implied
warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
the applicable state law.  The invalidity or unenforceability of any
provision of this agreement shall not void the remaining provisions.

1.F.6.  INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
with this agreement, and any volunteers associated with the production,
promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
that arise directly or indirectly from any of the following which you do
or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.


Section  2.  Information about the Mission of Project Gutenberg-tm

Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
electronic works in formats readable by the widest variety of computers
including obsolete, old, middle-aged and new computers.  It exists
because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
people in all walks of life.

Volunteers and financial support to provide volunteers with the
assistance they need, is critical to reaching Project Gutenberg-tm's
goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
remain freely available for generations to come.  In 2001, the Project
Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.


Section 3.  Information about the Project Gutenberg Literary Archive
Foundation

The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
Revenue Service.  The Foundation's EIN or federal tax identification
number is 64-6221541.  Its 501(c)(3) letter is posted at
http://pglaf.org/fundraising.  Contributions to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
permitted by U.S. federal laws and your state's laws.

The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
throughout numerous locations.  Its business office is located at
809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
business@pglaf.org.  Email contact links and up to date contact
information can be found at the Foundation's web site and official
page at http://pglaf.org

For additional contact information:
     Dr. Gregory B. Newby
     Chief Executive and Director
     gbnewby@pglaf.org


Section 4.  Information about Donations to the Project Gutenberg
Literary Archive Foundation

Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
spread public support and donations to carry out its mission of
increasing the number of public domain and licensed works that can be
freely distributed in machine readable form accessible by the widest
array of equipment including outdated equipment.  Many small donations
($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
status with the IRS.

The Foundation is committed to complying with the laws regulating
charities and charitable donations in all 50 states of the United
States.  Compliance requirements are not uniform and it takes a
considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
with these requirements.  We do not solicit donations in locations
where we have not received written confirmation of compliance.  To
SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
particular state visit http://pglaf.org

While we cannot and do not solicit contributions from states where we
have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
against accepting unsolicited donations from donors in such states who
approach us with offers to donate.

International donations are gratefully accepted, but we cannot make
any statements concerning tax treatment of donations received from
outside the United States.  U.S. laws alone swamp our small staff.

Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
methods and addresses.  Donations are accepted in a number of other
ways including including checks, online payments and credit card
donations.  To donate, please visit: http://pglaf.org/donate


Section 5.  General Information About Project Gutenberg-tm electronic
works.

Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
concept of a library of electronic works that could be freely shared
with anyone.  For thirty years, he produced and distributed Project
Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.


Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
unless a copyright notice is included.  Thus, we do not necessarily
keep eBooks in compliance with any particular paper edition.


Most people start at our Web site which has the main PG search facility:

     http://www.gutenberg.net

This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.